ga naar de infobrochure:

Geschiedenis van de school:

1.) 1820-1830: De eerste sporen van het (gemeentelijk) onderwijs:

           Het was niet gemakkelijk om sporen over het negentiende-eeuwse onderwijs in Ingooigem terug te vinden. Een hele reeks notulen van de gemeenteraad en schepencolleges ontbreken in zowel het gemeentelijk- als rijksarchief. Zo blijken de notulen, van welke aard ook, voor de periode 1863 tot 1938 onvindbaar. Deze notulen hadden ons iets kunnen leren over de benoemingen, verbouwingen, de schoolstrijd, enzovoort. Ook het Kerkarchief vertoont ernstige hiaten. Toch werden er oude sporen ontdekt van het gemeentelijk onderwijs, teruglopend tot 1820.

a.) Het armenschooltje van gemeenteonderwijzer Windels

             In 1820 werd namelijk overgegaan tot de benoeming van een gemeentelijk onderwijzer. Die aanstelling van een leerkracht had een tijdje op zich laten wachten, want het stond reeds op 28 december 1818 vast dat de gemeente in de nabije toekomst een onderwijzer wenste aan te nemen. Leon Joseph Windels werd ruim anderhalf jaar later officieel aangesteld, namelijk op 2 juni 1820. De 31-jarige onderwijzer zou een jaarlijkse vergoeding van ‘100 guldens’ verkrijgen. Ingooigem is met deze benoeming toch nog een jaartje vroeger dan Vichte, dat pas in maart 1821 zijn eerste gemeentelijke onderwijzer aanstelde[1].

             Meester Windels kreeg het gezelschap van een tweede onderwijzer, namelijk Jean Baptiste Avet. Een tabel uit 1822 vermeldde dat zowel meester Windels als meester Avet 80 leerlingen hadden, waarvan respectievelijk 15 en 30 armen (kostelozen). Misschien hebben zij tijdelijk samen gefungeerd, zoals uit een aantal verwijzingen gesuggereerd kan worden. Zo verdiende “den directeur der arm school” in 1823 en 1824 ‘100 guldens’. Ook de semestriële verslagen van het onderwijs, die te raadplegen waren vanaf 1821, spreken van “hun school” i.p.v. “hun scholen”. Maar vanaf 1825 schrijft men wel over “hunne scholen” in de begroting[2].

             Hoe functioneerde het Ingooigemse onderwijs in het begin van de 19de eeuw? De leerlingen kregen volgens de verslagen toen drie elementaire taken: de Vlaamse taal leren lezen en schrijven en ten slotte ook de beginselen uit de rekenkunde aanleren. In tegenstelling tot wat in de 18de eeuw nog vaak voorkwam, namelijk dat leerkrachten vaak mensen waren die zelf nauwelijks konden lezen en schrijven (bvb. een oorlogsinvalide die men ‘uit respect’ tot leerkracht maakte), had men nu te doen met degelijk opgeleide leerkrachten. Zo is bekend dat meester Windels op 19 mei 1820 een certificaat kreeg van de provinciale jury. De leerlingen behoorden toen vooral tot de arme klasse. Dit was trouwens ook het doel van de school. In 1830 werd de school van meester Avet immers omschreven als “geen primaire school in wesen, wel hulp- of armenschool, welk lokaal toebehoort aan den pastoor”. Pastoor Pieter Antone Seurynck[3] leverde dus ook steun aan het opvoedende project, wellicht met het idee in het achterhoofd om van deze kinderen goede Christenen te maken[4].

             De pastoor zal dan alleszins niet alle kinderen bereikt hebben, want toen was er geen schoolplicht. Men moest rekenen op de goodwill van de ouders. Daarnaast was ook de frequentie en duur van de individuele schoolloopbaan zeer uiteenlopend. Want wie school liep, hoefde niet altijd in de klas te zijn. In de zomer bleven er bijvoorbeeld heel wat kinderen weg, om toch maar op de boerderij te helpen of geld te verdienen voor hun arme ouders. Ten slotte verlieten de meeste leerlingen reeds de schoolbanken op tien- of twaalfjarige leeftijd. Dat er in 1822 160 leerlingen ingeschreven waren, betekende dus niet dat die 160 kinderen dagelijks de lessen volgden.  Concreet hield dit alles in dat veel jongeren semi-alfabeet waren: lezen lukte, maar schrijven had men onvoldoende onder de knie. De alfabetiseringsgraad in het arrondissement Kortrijk voor mannen in de jaren 1840 tot 1860 lag op ongeveer 42%. Maar zelfs dat cijfer is nog verbloemend: mannen konden misschien wel hun handtekening zetten, maar konden ze eigenlijk wel meer dan dat? En konden ze eigenlijk wel goed lezen? Sommige schattingen over Ingooigem tonen aan dat slechts 30% van de mannen en 20% van de vrouwen konden lezen en schrijven. Dit was zeker geen alleenstaand geval[5]!

             De gemeente bleek nochtans zeer tevreden over de onderwijzers. De semestriële/trimestriële verslagen aan de districtscommissaris van Kortrijk liepen altijd over van de lofbetuigingen. Men bleek te Ingooigem een duidelijke progressieve ontwikkeling in het onderwijs te zien. De halvering van de jaarwedde betekende dus geen minachting voor het werk van de leerkracht, maar eerder een gezonde overweging na de studie van weddes uit de omliggende gemeenten. Dat men toen eigenlijk nog gul was, bewijzen de weddeverhogingen (‘25 guldens’) bij een goed jaar of de jaarlijkse extra van ‘10 guldens’ voor prijsuitreikingen aan de slimste leerlingen[6]. Eén van de verslagen aan de districtscommissaris liegt niet over de waardering voor het onderwijzend personeel[7]:

 

Ingoyghem, 2 July 1823

 

Wij hebben d’eere U:W:E gestringe heer te onderrigten dat geduerende de ses eerste maenden van dit Jaar de onderwijzers in dit gemeente getragt hebben soo veel in hun vermogen was aen hunne schoolieren in te boesemen en onderwijsen in alles waartoe hunne bekwaamheden sulks toelaten, en dat sij bij aanhoudentheyd goede regeltugt houden.

 

GET. Reynaert Herman                                                               Burgemeester en Schepenen van Ingoyghem

 

b.) 1830: Een nieuwe school

             In 1830 bleek het onderwijs dus nog altijd zijn plaats te hebben in Ingooigem. Voor de Belgische revolutie waren er 80 leerlingen (45 jongens en 35 meisjes), na de revolutie 76 leerlingen (40 jongens, 36 meisjes). Toch staken er enkele problemen de kop op: Jean Baptiste Avet stond er sinds 1827 alleen voor, meester Avet was toen ook al 59 en dus stilaan uitgeblust; door het feit dat er maar één onderwijzer meer was, konden er minder kinderen van het onderwijs genieten (80 i.p.v. 160 in 1822); tot slot gingen de lessen nog altijd door in een niet-daarvoor-uitgerust lokaal. Enkele veranderingen drongen zich dus op. In 1830 of 1831 werd een tweede onderwijzer aangenomen, namelijk Lodewijk Derasse. Maar veel belangrijker waren de bouwplannen voor een gemeenteschool[8].

             Burgemeester Reynaert richtte de volgende woorden tot de gemeenteraad op 19 juni 1830[9]:

 

Ik ben sints langen tijd overtuygd van het overgroot nut en voordeel, welk er voor de inwoners zou spruiten uit den oprechting van een school lokaal, alwaar de jongheid het noodig onderwijs zou kunnen bekommen. Geene middelen mogen verwaarloosd werden om dit heilsaam doelwit te bereiken… De jongheid welkers opvoeding bij gebrek van behoorlijke school, tot nu toe jammerlijk is verwaarloosd geweest.

Er bied zich thans eene zeer voordelige gelegendheid aan, om een woonhuis hier toe alderbest geschikt, gebouwd op ontrent de negentien Roeden erfve, begrepen den hof, aan te kopen van den heer Josephus Paulus Van Derhaeghen, welken ’t zelve aen de gemeente zou overlaeten voor de som van 1800 gulden

             De harde woorden van de burgemeester voor het toenmalige onderwijs zullen wellicht te maken hebben met de situatie waarin meester Avet sinds 1827 verkeerde. De man kreeg wel een hogere wedde (‘65 guldens’) omdat hij alleen voor het armenonderwijs moest instaan, maar hij kon ook geen oneindig aantal leerlingen aanvaarden. Er moest dus geïnvesteerd worden in een beter onderwijs. Verder werd in deze vergadering nog vastgesteld dat er om en beide 3570 gulden zou moeten gepompt worden in de bouw- en verbeteringswerken. Uiteraard kon de gemeente alleen niet instaan voor deze kosten en werd de hogere overheid ingeroepen om bij te springen. Het plan zag er veelbelovend uit.

 


Plan uit: R.A. Kortrijk: Onderwijs: School te Ingooigem 1830. Dit plan toont een nieuwbouw-schoolvertrek dat zal aansluiten op een bestaande woning, dienend als woonhuis voor de onderwijzer. Bemerk de scheidingswand vanaf het klaslokaal naar het meisjes- en jongenstoilet, iets waarop een duidelijke nadruk kwam te liggen in het bouwplan. Gemengde lessen konden toen wel nog, aangezien er slechts 1 ruimte voorzien is als leslokaal.

 

2.) 1830-1878: Op zoek naar een ideale vorm van onderwijs

a.) 1830-1842: 3 scholen en 300 leerlingen

            Het Ingooigemse onderwijs leek in 1830 in een definitieve plooi gevallen te zijn. De nieuwe school leverde in 1832 plaats aan 90 kinderen, waarvan 47 jongens en 43 meisjes. Deze armenschool beschikte over één onderwijzer, terwijl de andere gemeentelijke onderwijzer elders in het centrum werkzaam was. Meester Avet en meester Derasse kregen in 1833 het gezelschap van een derde onderwijzer, waarover echter weinig informatie gegeven werd. De drie onderwijzers kregen samen 180 frank uit de gemeentekas. De derde onderwijzer zal meer dan waarschijnlijk werkzaam geweest zijn op de Engelhoek[10]. Een gemeentelijk rapport over het jaar 1836-1837 vermeldt hetvolgende[11]:

 

Het onderwys neemd meer en meer toe, Dry schoolen zyn in de gemeente aenwezig, waer van twee in den kom der gemeente, en de derde en den bezondersten in afgelegensten wyk genaemd Engelhouck Een halve ure van de kerke afgelegen, aan yder der zelve word jaerlyks vyftig franken pensioen betaald, bezonderlyk voor het onderwys der arme, jaerlyks en wel naemelyk in het winter saisoen worden in de zelve tusschen twee en dry honderd kinderen onderwezen.

             Het mag een succes genoemd worden dat in die periode 200 à 300 leerlingen schoolliepen in Ingooigem. Dat de Engelhoekschool de bijzonderste wordt genoemd, kan alleen maar duiden op het belang van onderwijs in een afgelegen uithoek van de gemeente Ingooigem. De school op de Engelhoek bleef wellicht bestaan tot in 1842 (en misschien langer), omdat er tot dan sprake was van twee onderwijzers waarvan één in de “kom der gemeente” en één elders[12].

 

b.) 1842-1844: wetten en reglementen

 Dit brengt ons bij het jaartal 1842, dat een belangrijke betekenis heeft in het Belgische onderwijslandschap. Toen werd een wet van kracht die stelde dat er in iedere gemeente een lagere school moest zijn. Bovendien hoopte men de lagere bevolkingsklassen te kunnen overtuigen om hun kinderen naar school te sturen door het onderwijs kosteloos aan te bieden aan diegenen die het nodig hadden. Maar Ingooigem stond weigerachtig tegenover de oprichting van een lagere school in regel. De gemeenteraad, met burgemeester Jean-Baptiste Jacques op kop, besliste op 17 november 1842 dat er reeds genoeg gedaan werd voor het onderwijs. Twee scholen kregen immers een jaarlijkse vergoeding voor het kosteloos onderwijs (toen 38 kinderen). De oprichting van een nieuwe gemeenteschool zou alleen maar veel extra geld kosten[13].

 Niettemin verbeterde de kwaliteit van het Ingooigemse onderwijs aanzienlijk. Dit had alles te maken met een bekwame onderwijzer die zich op eigen houtje te Ingooigem had geïnstalleerd en blijkbaar een enorme vooruitgang boekte. Naam en adres werden echter niet vermeld. In de twee andere scholen leerde men kortweg lezen en schrijven. Daarnaast kon men ook leren handwerken, spinnen, naaien, breien, kantwerken, enzovoort[14]. Maar die ongeregelde situatie veranderde drastisch toen er een uitgebreid schoolreglement in voege kwam voor de gemeente-en aangenomen scholen in april 1844[15].

 

1. Van het Onderwys.

 Art. 1. Het onderwys bevat den Godsdienst, de zedeleer, het lezen en schryven, het wettelyk stelsel der maaten en gewigten, de grondbeginselen der rekenkunde, de vlaemsche of fransche tael En: Daarenboven voor de Meisjes het leren van handwerk, zoo als breyen, naeyen en teekenen.

Art. 2. Het onderwys is gelyktydig of gelyktydig onderling, het individuele zeg individuele onderwijs is uitdrukkelyk verboden.

 2. Van de onderwyzers:

 Art. 3. Er worden geene andere Boeken gebruikt van de geene die overeenkomstig de wet zyn goedgekeurd.

Art. 4. Den hoofdonderwijzer is belast met de stiptelyke uitvoering van al het gene by het tegenwoordig reglement word voorgeschreven. Hy is verantwoordelyk voor de overtredingen dewelke hy ongestraft laat voorbygaan, of aen de bevoegde overheid niet aanklaagd.

Art. 5. Den hoofd onderwyzer en de assistenten, bevinden zich op de school eene halve uer voor het aengaen der klassen, zy bewaeken de leerlingen by hun inkomen en uitgaan en geduerende den speeltyd, zy zorgen dat de zelve zig op eene betaemelyke wyze huiswaerts begeven.

Art. 6. Geen onderwyzer mag afwezig van school zyn, zonder verlof van Burgemeester en schepenen. Indien de afwezigheid langer moet duren dan eenen dag, moet het Kollege van Schepenen er gemotiveerd berigt van geven aen den kantonalen schoolopziener.

Art. 7. De assistenten met gaeders (?) de schoolbedienden staen onmiddelyk onder de bevelen van den hoofd onderwyzer of van den genen die hem vervangt. Den hoofd onderwyzer mag de assistenten verlof van afwezigheid geven Doch ! voor niet langer dan eenen dag.

Art. 8. Indien eenen schoolonderwyzer de gebruiken van orde by het reglement voorgeschreven te buiten gaat, of wel op eene andere wys de wardigheid van zyn ambt verkrenkt, worden door het gemeentebestuur maetregelen  genomen of gevorderd om het slegte voorbeeld te beteugelen en te belasten dat het zig vernieuwe.

Art. 9. Den hoofd onderwyzer nog de assistenten mogen zig geduerende den schooltyd niet bezig houden met voorwerpen die niet tot het onderwys of de opvoeding zyner leerlingen behoord.

Art. 10. De rangschikking der leerlingen behoort aen den hoofd onderwyzer, behoudens beroep tot den Kantonalen schoolopziener.

Art. 11. Den hoofd onderwyzer oefent eene werkelyke waakzaamheid op alle de leerlingen uit. Hij zorgt dat niet eenen van hen zonder bezigheid blyve.

Art. 12. Het is nog aen den hoofd onderwyzer noch aen de assistenten geoorloofd, by voorkeur en ten nadeele van de andere, het onderwys van eenige leerlingen beter te bezorgen, hetzy van de zelve by de pryskampen te doen uitmunten of voor andere reden. Het onderwys moet voor allen primair en grondig zyn en allen gelyk bedeeld worden.

Art. 13. Den hoofd onderwyzer zorgt voor het behoud van het schoollokael en der school-meubelen.

Art. 14. Den hoofd onderwyzer tragt te voorkomen alles wat schadelyk kan zyn voor de gezondheid der leerlingen. Hy zorgt dat de school altoos zuiver en net is en ten minsten eene dage gekuist worde. Hij doet de zaelen voor het inkomen en na het uitgaen der leerlingen verluchten.

Art. 15. De leerlingen welke te school gaen worden door den hoofd onderwyzer ingeschreven in afzonderlyke registers voor de Meisjes en Knechtjes. Deze Registers waer in de arme kinderen welke voorlopig zyn aengenomen van een andere onderscheiden worden, behelzen: 1° Een serie van volgnummer; 2° De namen en voornamen der kinderen; 3° De dagteekening en de plaats der geboorte; 4° Wanneer zy in een school gekomen zyn; 5° Tot welken Godsdienst zy behooren; 6° Den naeme van den praktezyn door wien zy gevaccineerd zyn; 7° Naem en beroep van der zelver ouders en voogden; 8° De woonplaets van laetsgemelde; 9° De dagteekening wanneer zy de school verlaten.

Art. 16. In het begin van elk kwaertal geeft den hoofd onderwyzer kennis aen het Schepen Kollegie van de beweging geduerende de drie laetstloopende maenden, in dat Kollegie geeft er kennis van aen den Kantonale school opziener.

 3. Van het aenveerden der leerlingen:

 Art. 17. Het aennemen van arme kinderen in de openbare scholen geschied overeenkomstig de voorschriften der Koningslijken besluits van den 26 Mei 1843.

Art. 18. Indien na het aennemen van al de kinderen die regelmatig ingeschreven zyn, er nog plaetsen open blyken, mogen Burgemeester en schepenen er voorloopig van beschikken by voorkeur aenvaerden de kinderen welke de vereischten hebben by art. 3. van opgemaekt besluit gevorderd. De aldus aangenomene leerlingen moeten niet temin het volgende Jaer het langs in beraed, dat zy de noodige wettelyke voorwaerden vereenigd om zege te hebben tot het kosteloos onderwys.

Art. 19. De kinderen ten laste van den gemeente kosteloos onderwezen wordende, ontvangen ook kosteloos de Boeken en andere noodige schoolbehoeften.

Art. 20. Het hoofd eener school als gemeente school aengenomen, mag over de opengeblevene plaetsen beschikken, na dat hy aen zyner verbintenissen heeft voldaen, Door het aennemen der kinderen, hem door het gemeentebestuur gezinden.

Art. 21. Zo dien na het aenveerden der arme kinderen nog plaetsen overblyven, mogen de zelve bezeten worden door betalende leerlingen. Den onderwyzer beslist over het aenveerden van laetste gemelde, behoudens beroep ter het Kollegie van Schepenen. Om aenveerd te worden moeten der betaelende leerlingen bewyzen dat zy gevaccineerd zyn, of de kinderziekte gehad hebben.

 4. Van de schoolgelden:

Art. 22. Het schoolgeld is bepaeld op frs. 50 per maend voor al de leerlingen zonder onderscheid, waermee er in begrepen de maend ingegaan zynde moet verluit betaeld worden.

Art. 23. Den gemeente ontvanger of zynen aengestelden, is belast met de invoordering der schoolgelden der leerlingen, van de eigenlyke gezegde gemeentescholen. De vervolgingen tegen de nalatigen worden gedaan door den ontvanger en op de zelfde wyze als voor andere gemeente inkomsten. Indien den onderwyzer verlangt van de bepaling gebruik te maeken, doet hij ten uitgaen van elk kwartael aen den ontvanger tekenen eene naemlyst van de betalende leerlingen met opgave van de te betalen sommen.

 5. Van de inwendige schoolorde en gezondheidsstaet der leerlingen:

 Art. 24. Voor het begin der klassen en na het eindigen der zelve word het gebed gedaen.

Art. 25. Elk jaer word de verdeeling der werkzaemheden voor de verschillende takken van het onderwys geregeld in eene tabelle door den onderwyzer opgemaakt en gesloten door den Kantonalen schoolopziener, na gehoord te hebben den gemeentelyke gedelegueerden voor wat betreft den tyd die moet besteed worden aen het onderwys in den Godsdienst en de zedeleer. Deze tabelle word in de school aengeplakt. Het is aen den hoofd onderwyzer en aen de assistenten uitdrukkelyk verboden van de daer in vervatte voorschriften af te wyken.

Art. 26. De school ueren bepaald als volgt: van den 1en april tot den 10en novembre van 8 ½ ueren ’s morgens tot ’s middags en van 1 ½ ueren tot 5 ueren ’s namiddags, geduerende de ander maenden der jaers, van 9 ueren tot ’s middags en van 1 tot 4 ueren ’s namiddags.

Art. 27. De leerlingen moeten op school zyn ten minsten 10 minuten voor het aengaen der lessen; dien tyd verstreken zynde mogen zy buiten gelaeten worden. De leerlingen moeten net en goed gereinigd zyn.

Art. 28. Den doctoor van den armen bezoekt de openbare scholen ten minsten tweemael de maend ten einde van yder maend, zend hy aen het schpen college een rapport aengaend den gezondheids staat der leerlingen. De leerlingen erkend wordende aengedaen te zyn van eene betrappelyke ziekte, worden na hunne ouders terug gezonden, en mogen niet weder te school komen dan voorzien van een certificaet van den geneesheere, bewyzende dat zy geheel genezen zyn.

6. Van de straffen & vergeldingen:

  Art. 29. Er word geene lichaemelyke straffe opgeleid, noch geene andere die van aerd zyn de kinderen moedeloos te maeken, of den spot of verachting hunner medeleerlingen op te wekken. De geoorloofde straffen zyn de volgende: 1° De byzondere of openbaere berisping; 2° temidden in de klas te staen; 3° beroofd te zyn van een deel of geheel den speeltyd; 4° wegzending voor den tyd der klassen; 5° wegzending voor goed. Den hoofd onderwyzer beslist in welke gevallen in der vier laetste straffen mag worden opgelegd. Wat het wegzenden voor goed betreft, Deze straf word door het schepen collegie uitgesproken, op voordragt van den hoofd onderwyzer en het advies van den kantonale school opziener.

Art. 30. Den hoofd onderwyzer houd een dagboek waer in elken dag word ingeschreven de namen der afwezige of nalatige leerlingen, de begane feiten en de opgelegde straffen byzonderlyk deze onders 3,4 en 5 van art. 29 vermeld.

Art. 31. By het eindigen van yder schooljaer, vermeld den hoofd onderwyzer, het goed gedrag, de neirstigheid en den vooruitgang der leerlingen, door het uitdeelen van goede nota verbeeld onder een kaertje dragende een gedrukt of geschreven aenwyzend nummer, twintig kaertjes worden uitgewisseld tegen een ander dragende den naem van den leerling, en het handteeken van den hoofd onderwyzer.

Art. 32. Het schooljaar eindigt met een prysdeeling. Er worden slechts eenen prys en of zeg (?) gegeven, voor elk tak van in de (?) aen de leerlingen die het vereischte getal goede notas hebben gehad. Om recht tot een (?) te hebben, moet den leerling ten minsten de helft van het getal goede notas behaeld hebben dat voor een prys vereischt werd. Het getal behaeld goede notas word by de uitroeping der pryzen en (?) bekend gemaekt.

Art. 33. De prysdeeling mag voor afgegaen worden door openbaere examens op het geene er binnen het jaer is geleerd geworden. By deze omstandigheid worden er door de leerlingen stukjes opgezegd die in het bereik van hun begryp zyn en tot de programma van het lager onderwys behooren.

Art. 34. De boeken bestemd om voor prys te worden gegeven, moeten door den kantonalen schoolopziener goed bevonden zyn, behoudens beroep tot den provinciaelen schoolopziener.

Art. 35. Het collegie van Burgemeester en schepenen bepaelt de dagen voor de openbaere oefeningen en prysdeeling en geeft er kennis van aen den kantonaelen school-opziener en aen de ouders der kinderen.

 7. Congé-dagen en vacantien:

 Art. 36. De scholen zyn het geheele jaer open, behalven op de congédagen en in de vacantien.

Art. 37. De congé-dagen zyn den zondag en den donderdagnamiddag; den 1en en 2en novembre allerheiligen en allerzielen dag; den 16 decembre, verjaerdag van ’s konings geboorte; den 25 en 26 decembre Kerstdag; den 1en en 2 january; den 6 january /Drie Koningendag / O.H. Hemelvaertdag; den maendag van Sinxen; O.L.V. Hemelvaertdag; den 27 july / verjaerdag van ’s konings inhuldiging/ en de geferieerde feestdagen in de gemeente.

Art. 38. De vacantien zyn bepaeld als volgt: 1° van den donderdag voor Paesschen tot en met den maendag na beloken Paesschen; 2° van den 3 septembre tot den 1en octobre, om in verband te zyn met art. 14 der algemenen reglement van den 26 mei 1843.

 

De gemeente kon afzien van de oprichting van een gemeenteschool pur sang door haar aanwezige armenonderwijs (waar indien er nog vrije plaatsen waren betalende kinderen terecht konden), maar bleef toch goed investeren in het onderwijs. In augustus 1844 berichtte de gemeente dat er zelfs een “bijzondere school waer in de Vlaemsche en Fransche tael geleerd word” aanwezig was. De richtlijnen uit het reglement werden dus naar behoren gevolgd. Dit was ook te merken aan de aanwezigheid van arme kinderen in het onderwijs: 54 (sept. 1844); 114 (sept. 1845); 82 (sept. 1846) en 99 (aug. 1847)[16].

 

c.) 1847-1863: Over gemeente- en aangenomen school of jongens- en meisjesschool

 De school die in 1830 gebouwd werd, kreeg in augustus 1847 voor het eerst het label “gemeenteschool” mee. Er genoten toen 99 kinderen van het kostenloos onderwijs, waarvan 41 jongens en 58 meisjes. De school werd toen bestuurd door lerares Melanie Baert. In december 1848 kwam Leo Ottevaere, koster te Ingooigem, haar vervangen. Het is misschien niet toevallig dat onder de hoede van de koster het gemengd onderwijs in het gedrang kwam. De godsdienst en zedenleer waren al zo sterk aanwezig, zonder dat er daar nu een zeer gelovig leerkracht bijkwam. In 1849 leek de splitsing van de gemeenteschool dan ook in de maak te zijn. Er waren toen immers twee leerkrachten: Leo Ottevaere en Colete Beirlaen. De leerlingen werden wel nog samen vermeld (80 kosteloze kinderen, waarvan 50 jongens en 30 meisjes), wat doet vermoeden dat er toen misschien nog één school was met apparte lessen voor beide geslachten (eventueel door een scheidingswand te plaatsen in het grote lokaal)[17].

Vanaf 1850 werd er echter gesproken van twee scholen: de gemeenteschool van Leo Ottevaere en de aangenomen school van Eugenia Himpe. Zij hadden respectievelijk 48 kosteloze jongens en 35 kosteloze meisjes in hun klas. De gemeenteschool ontving ook meer steun: 420 frank t.o.v. 210 voor juffrouw Himpe. Dit moet wel wrevel veroorzaakt hebben, want in de daaropvolgende jaren nam het kosteloze meisjesonderwijs een hoge vlucht onder de hoede van Felicita De Jonghe: 71 (1854), 60 (1855 en 1856), 54 (1857) en 60 meisjes (1858). Vandaar dat juffrouw De Jonghe vanaf 1853 hulp kreeg van hulplerares Sophia Persyn. En dat terwijl meester Ottevaere het met veel minder kostelozen moest stellen: 25 (1854, 1855 en 1856), 29 (1857) en 26 jongens (1858). Wellicht had meester Ottevaere heel wat betalende leerlingen, want ondanks de teleurstellende cijfers vroeg hij in 1857 de hulp van ondermeester Petrus Vienne omdat hij “niet in staet is om het groot aental leerlingen te onderwyzen”[18].

De aangenomen meisjesschool moest door de splitsing op zoek naar een nieuw klaslokaal. Dat lokaal werd ter beschikking gesteld door het Bureel van Weldadigheid, een voorloper van het OCMW. Men had immers nog een geschikt lokaal ter beschikking gekregen na het overlijden van pastoor Seurynck. Het lokaal werd, onder het toezicht van pastoor Valcke[19], ter beschikking gesteld aan de “leer en werkschool der arme meisjes”. Zo konden de jufrouwen De Jonghe en Persyn hun job ongehinderd blijven verderzetten, met bovenstaand succes tot gevolg. De aanschaf van het gebouw was ook een geluk bij een ongeluk, want de druk van meneer pastoor was enorm voelbaar. Hij verklaarde onomwonden dat het meisjesonderwijs door onbekwame figuren gebeurde en verwaarloosde de school ten voordele van de jongensschool van meester Ottevaere. De pastoor hierom van discriminatie te beschuldigen, is niet aan de orde. Hij was gewoon kind van zijn tijd. Toen was de maatschappij in het algemeen en vooral het onderwijslandschap toegelegd op de mannelijke bevolking. Meisjes werden enkel opgeleid tot goede moeders of huishoudsters; van enige mogelijkheid tot verderstuderen was geen sprake[20].

            In juli 1856, alsof het nooit ophield, traden er nieuwe localisatieproblemen op in zowel de jongens- als meisjesschool. Frederick Valcke, burgemeester, was zich terdege bewust van de financiële moeilijkheden van de gemeente en moest dus enkele zware knopen doorhakken. Het was immers in deze periode dat de kerk herbouwd werd en dat de steenweg Deerlijk-Kaster aangelegd werd. De gemeente ging nietemin op zoek naar een nieuw schoollokaal voor de gemeentelijke jongensschool, aangezien de vrees bestond dat Leo Ottevaere bij het einde van zijn loopbaan ook de school zou sluiten (omdat hij eigenaar was geworden van het schoolhuis). De gemeente kocht de grond van Josephus Ferdinandus Declercq en zou er een lokaal op bouwen. De kosten werden toen op 6000 frank geraamd, waarvan de gemeente bereid was 1/6 te betalen. Leo Ottevaere kon nog enkele jaren les geven in een nieuw lokaal, maar de 1700 Ingooigemnaars zullen nietemin gekreund hebben onder de belastingsdruk[21].

            De meisjesschool (kadaster sectie B, nummer 829a), die net ten noorden van de nieuwe jongensschool lag (kadaster sectie B, nummers 830-831), was er slecht aan toe. Het gebouw had nood aan dringende herstellingen aan het dak, de muren en de vensters. Men vreesde voor de teloorgang van het hele gebouw. De gemeente was echter gebonden aan haar financiën en kon niet anders dan de hogere overheid om hulp te vragen. De situatie werd blijkbaar gered[22].

            In juli 1859 vonden enkele wijzigingen in het schoolreglement plaats. Naast de gebruikelijke lees-, schrijf- en rekenoefeningen moesten de leerlingen nu ook het lijntekenen, de beginselen van de aardrijkskunde en de belgische geschiedenis aanleren. De veranderingen waren niet meer besteed aan hulponderwijzer Vienne, die ontslag nam. Franciscus Remonius Carlier kwam hem in november 1860 vervangen[23].

 

d.) 1863-1878: naar één gebouw en twee gemeentescholen

            In augustus 1863 was de cirkel rond en na 13 jaar werd de aangenomen meisjesschool opnieuw omgetoverd tot een gemeenteschool. De lessen bleven doorgaan in het gebouw dat door pastoor Seurynck ter beschikking werd gesteld. Hoofdonderwijzeres werd Sophia Persyn, die reeds 10 jaar ervaring had opgedaan als hulponderwijzeres bij Felicita De Jonghe. Hierdoor week de situatie in Ingooigem ietwat af van de regel, want veelal was er een gemeenteschool voor de jongens en voor de meisjes een katholieke school door zusters bestuurd. Naast deze twee scholen in het centrum werd op het einde van de jaren ’60 opnieuw een school geopend op de Engelhoek, aan de Stenen Molen. Bovendien werd er in 1855 ook een zondagsschool geopend onder impuls van Adolphus Debien, onderpastoor te Ingooigem van 1853-1857. Deze school werd tevens door de gemeente gesteund[24].

 In 1874 werden bouwwerken aangevat in de huidige Pastoor-Verrieststraat om een gemeenschappelijk schoolgebouw te voorzien voor zowel de gemeentelijke jongens- als meisjesschool. Vooral de toenmalige meisjesschool begon stilaan de allures van een krotwoning te vertonen; de herstellingswerken uit 1856 betekenden dus gewoon uitstel van executie. Voor het Bureel van Weldadigheid, nog altijd de eigenaar van het gebouw, was de maat vol[25]:

 

Nr. 9.

Verkooping der

oude meisjesschool

Zitting van den 31 maert 1876.

Het Bureel van Weldadigheid der gemeente Ingoyghem vergaderd.

 

Tegenwoordig de heeren Eduardus Quaryck, Burgemeester; Voorzitter, Josephus Verriest, Antonius Vanhoutteghem, Modestus Lobelle en Ludovicus Vererfven, leden.

 

Overwegende dat het lokael en woonhuis der meisjesschool, met kour en bebouwden grond te samen groot Vier aren, zeventig centiaren, gestaen en gelegen op den noordkant van het dorp dezer gemeente, gekend ter kadaster sektie B nummer 829a, buiten gebruik gekomen is ten gevolge van het bouwen, door de Gemeente, van eene nieuwe school voor meisjes, met woonhuis en byhoorigheden.

Overwegende dat eerstgemelde gebouwen zich in zeer slechten toestand bevinden en tot overgroote kosten van herstelling en onderhoud zouden aenleiding geven, zoodanig dat de pachtprys, hoe hoog die zoude kunnen beloopen, op verre na niet toereikend zoude zijn om die kosten te dekken.

Besluit :

Het gemelde woonhuis, lokael en medegaenden grond, uitmakende de oude meisjesschool, zal openbaerlyk te koop aengeboden worden door eenen daer toe bevoegden ambtenaer.

En zal de tegenwoordige beraedslaging, in dobbel afschrift, door de tusschenkomst van den heer Arrondissements-Kommissaris, ter goedkeuring en bemagtiging, aen de bevoegde Overheid gezonden worden.

Gedaen in vergadering te Ingoychem, den dag, maend en jaer als boven.

De Burgemeester-Voorzitter,

                                                                                                         [get.]

Op bevel: De Sekretaris,

                   [get.]

 De kosten van de bouwwerken aan de nieuwe gemeenteschool bedroegen 38834 frank. De kosten werden als volgt verdeeld onder de instanties[26]:

 

Relevé des travaux exécutés depuis 1830, pour la restauration des monuments civils et religieux de la commune d’Ingoyghem:

N° or-dre

Nom de l’ édifice ou de l’église

Date du commence-ment des travaux

Sommes fournies par

Total

Les habitants

La fabrique

La commune

La province

L’état

3

Construction des écoles communales pour garçons et filles

1874

/

/

15600,00

11617,00

11617,00

38834,00

Dressé à Ingoyghem, le 31 Aout 1888.

 

Omstreeks 1878 leek het Ingooigemse onderwijslandschap definitief gevormd. Léandre Kesteloot nam de scepter over van Leo Ottevaere in de jongensschool. Hij had toen 34 kosteloze en 35 betalende jongens onder zijn hoede. De meisjesschool stond onder leiding van Leonie Van Wetteren, opvolgster van Sophia Persyn. Zij had 34 kosteloze en 18 betalende meisjes in haar schooltje. België kende op dat moment een stijgende financiering van het onderwijs, zodat heel wat gezinnen een kosteloos onderwijs aangeboden kregen. In België was dit zo voor 71% van de kinderen, in Ingooigem slechts voor 56%. De gemeentelijke jongensschool mag dan op het eerste zicht de slechtste verhouding bieden, het was vooral de meisjesschool die het slecht deed gezien haar verleden. De jongensschool werd in de voorgaande jaren immers altijd gekenmerkt door een laag aantal kosteloze leerlingen, terwijl de meisjesschool altijd hoge aantallen kostelozen vertoonde[27].

3.) De eerste schoolstrijd (1878-1884): katholiek versus gemeentelijk onderwijs[28]

a.) Wet Van Humbeéck (1879) gooit roet in het eten

             Tot 1878 gingen het gemeentelijk onderwijs en godsdienst hand in hand. De schoolreglementen bepaalden dat godsdienst immers tot de plichtvakken behoorde. De dorpspriester was dan ook veel in de school te vinden om een oogje in het zeil te houden. De wet Van Humbeéck (1879) maakte een einde aan die verbondenheid. Deze liberale wet stelde o.a. dat iedere gemeente minstens één lagere gemeentelijke school moest bezitten, wat dus geen probleem was. Wat meer heisa opriep was de afschaffing van het godsdienstonderwijs in het lessenpakket. Godsdienst mocht enkel nog voor of na de lessen aan de kinderen bijgebracht worden, want het gemeentelijk onderwijs zelf moest neutraal worden volgens de liberalen. Uiteraard was dit onaanvaardbaar voor de katholieken[29].

             Ook te Ingooigem was die spanning voelbaar. De gemeente vroeg aan Pastoor Coene[30] om facultatief godsdienstonderwijs te voorzien, maar de geestelijke weigerde om in de “goddeloze” scholen te werken. Ook het onderwijzend personeel voelde zich steeds minder geroepen om tegen de kar van de pastoor te stoten. De ontevreden hoofdonderwijzer Léandre Kesteloot werd vervangen door Edmond Neirynck. Leonie van Wetteren bleef echter trouw op post. Er kwam bovendien zware concurentie voor de gemeentescholen. Sinds 13 september 1879 was een parochiaal comité actief dat het katholieke onderwijs wou stimuleren. Pastoor Coene, onderpastoor Callens[31], oud-onderwijzer en koster Leo Ottevaere, Charles De Cock en Ursmar Nollet[32] keken uit naar een nieuw perceel voor hun school en probeerden de Ingooigemnaars te overtuigen om hun kinderen naar die school te sturen. De gemeentebesturen wilden zich niet zomaar neerleggen bij de katholieke provocatie, want tenslotte hadden zij ook heel wat geïnvesteerd in de gemeentescholen. Bovendien kleurden enkele gemeentebesturen uit de omgeving nogal blauw. In april 1880 ontstond dan ook het plaatselijke schoolcomité. Ingooigem vormde samen met Deerlijk, Beveren-Leie en Vichte dergelijk orgaan om reclame te maken voor hun gemeentelijk onderwijs. Voorzitter was Charles Vlieghe, industrieel en liberaal burgemeester van Vichte. Notaris Van Steenbrugge werd aangezocht om voor Ingooigem te zetelen[33].

 

b.) 1879-1880: Twee katholieke scholen zien het levenslicht

 Het parochiaal comité maakte, gezien de toenmalige voorkeuren, snel werk van de uitbouw van een katholieke jongensschool. Pastoor Coene en zijn onderpastoor brachten zware offers om tegen 1 oktober 1879 de voorzieningen in orde te krijgen. Zij verkochten hun hebben en houden (o.a. meubels, ter waarde van 800 frank). Er kwam onverwachte steun van de kinders Hocedez, die hun woonst ter beschikking stelden voor het katholieke onderwijs. De financiële middelen waren echter uitgeput, zodat er geen gediplomeerde leerkrachten konden voorzien worden. De pastoor kon uiteindelijk een akkoord afsluiten met het St.-Vincentiusklooster te Anzegem, dat in niet-gediplomeerde zusters voorzag om de jongens te onderwijzen[34].

 De ouders van Ingooigemse meisjes moesten iets langer wachten op een katholiek initiatief, namelijk tot januari 1880. Er werd toen een nieuwe school gebouwd op cijnsgrond, gekocht door dokter Frederik Valcke en Jan Delobelle[35]. Ook voor het onderwijs in deze school sloot pastoor Coene een akkoord af met de zustercongregatie van St.-Vincentius à Paolo, dat prompt een kloosterhuis neerpootte (cf. huidige locatie van de meisjesschool). Het bijhuis kreeg de naam “Zoetendale” mee. In het kloosterarchief staat deze gebeurtenis als volgt vermeld[36]:

 

Het Gemeente der Z. van den H. Vincentius à Paolo te Anseghem heeft een nieuw huis begonst tot Ingoyghem den 23sten Januari 1880.

 

c.) 1880-1884: De teloorgang van het gemeentelijk onderwijs

 Het gemeentebestuur zelf stelde zich zo neutraal mogelijk op en liet de keuze aan de ouders of zij hun kinderen nog naar de gemeenteschool wilden sturen. Er werd nietemin druk uitgeoefend, zowel door de grondeigenaars als door de concurerende comités. De familie Mauroo werd op straat gezet omdat hun liberale grondeigenaar niet akkoord was met hun katholieke schoolkeuze[37]. Zij stonden echter niet alleen in hun schoolkeuze, want het leerlingenaantal van de katholieke scholen groeide snel aan. Een bericht van 7 augustus 1880 uit de toenmalige krant Courrier de Courtrai vermeldde dat Ingooigem reeds 70 jongens en 76 meisjes in de beide katholieke scholen had ondergebracht, en dat terwijl de gemeentescholen het moesten stellen met één meisje en zonder jongens. Leonie van Wetteren wilde de strijd niet zomaar staken, want het ging tenslotte om haar broodwinning. Zij bleef het officiële onderwijs trouw, hoewel haar schooltje stilaan doodbloedde door de schoolstrijd. Toen de juffrouw in de lente van 1883 ziek werd en er geen vervangster kon gevonden worden, sloot de meisjesschool haar deuren. De resterende leerlinge werd naar de lege gemeentelijke jongensschool gestuurd, waar Gustaaf Depauw bezwaarlijk van drukke lesactiviteit beschuldigd kon worden. Edmond Neirynck had toen al het zinkende schip verlaten. De ziel van het kind bleek gered te Ingooigem[38].

 

 

1878

1879

1880

1882

1883

1884

Gemeentelijke jongensschool

6 lln.

/

0 lln.

/

0 lln.

/

Gemeentelijke meisjesschool

52 lln.

4 lln.

1 ll.

/

1 ll.

0 lln.

Katholieke jongensschool

/

/

70 lln.

/

/

/

Katholieke meisjesschool

/

/

76 lln.

/

/

/

 

4.) 1884-1914: Wettelijke consensus

 

a.) 1884-1885: compromis via de Wet -Jacobs

 Vanaf september 1884 kwam alles in een definitieve plooi terecht. De katholieken namen de nationale regering opnieuw in handen en stemden de Wet Jacobs. Deze wet stelde dat iedere gemeente een gemeenteschool moest hebben, maar dat de gemeenteraad (mits toestemming van de Bestendige Deputatie) deze kon afschaffen en vervangen door een vrije school (deze werd dan een “aangenomen school”). Bovendien kwamen godsdienst en moraal weer bovenaan het onderwijsprogramma van de gemeentelijke scholen te staan. Hierdoor werden de plooien tussen overheid en Kerk weer gladgestreken[39].

 Te Ingooigem resulteerde de wet- Jacobs dan ook in mooi voorbeeld van het voornoemde compromis. De vrije meisjesschool werd door de gemeente aangenomen, en mocht blijven functioneren in de gebouwen van de kloosterzusters. De vrije jongensschool verdween ten voordele van de teloorgegane gemeentelijke jongensschool, die haar definitieve stek kreeg in de schoolgebouwen langs de huidige Pastoor Verrieststraat. In 1885 leek alles dan ook mooi verdeeld toen er 77 jongens in het gemeentelijk, en 75 meisjes in het vrije onderwijs vertoefden. In 1894, 1895 en 1914 werd met diverse wetten stilaan de ongelijkheid van de subsidiëring aangepakt, waardoor de aangenomen scholen ook op aanzienlijke gemeentelijke subsidies konden rekenen. De gemeentelijke overheid bleef zo een belangrijke invloed ontwikkelen in het Ingooigemse vrije onderwijs: zij zorgde voor het financiële kader, terwijl de kloostergemeenschap in leerkrachten voorzag[40].

 

b.) Problemen nog niet helemaal van de baan

 De herschikkingen en verschuivingen in locaties leverden ook problemen op. Zo had de gemeentelijke jongensschool blijkbaar geen echte nood aan de vrijgekomen ruimte van de opgedoekte meisjesschool, zodat een deel van het schoolgebouw in de Pastoor Verrieststraat leeg kwam te staan. Een brief aan de Arrondissementscommissaris uit 1888 toonde aan dat deze situatie nog altijd niet geheel opgelost was. De veldwachter werd als “noodoplossing” in het gebouw ondergebracht[41]:

 

Ingoyghem le 31 Aôut 1888

Monsieur le Commissaire,

   En réponse à votre lettre du 25 de le mois, n° 3160, nous avons l’honneur de vous faire connaitre que jusqu’à ce jour il ne s’est présenté de locataire sérieux pour la location des bâtiments de l’école communale supprimée. Maintenant ils sont occupés provisoirement par le garde-champêtre de notre commune. Nous croyons pouvoir produire à bref délai un acte de bail [42].

 

            De subsidiëring van het onderwijs bleek ook niet van een leien dakje te lopen. Het Bureel van Weldadigheid, bevoegd voor het kostenloos onderwijs, kon de nodige behoeften niet meer dekken. Uit de briefwisseling van deze instelling blijkt dat ze zelf voor de meeste uitgaven telkens bij de gemeente terecht moest. Het bureel riep tussen 1899 en 1914 dan ook telkens op om de subsidies elders te zoeken. En hoewel het kostenloos onderwijs wijder verspreid raakte, mede dankzij gemeentelijke steun, bleken enkele ouders zich nog altijd niet bewust van de geboden kansen. De gemeentelijke overheid klaagde in september 1892 dan ook over het feit dat men de ouders niet kon verplichten om hun kinderen naar school te sturen, ondanks de mogelijkheid voor de armsten om gratis onderwijs te genieten. Een terechte klacht[43].

             Veel of weinig leerlingen; de gebouwen moesten toch onderhouden worden. In 1884-1885 werden reeds grote herstellingswerken ondernomen aan de gemeentelijke jongensschool; resulterend in een eindbedrag van 1486,90 frank. Zo bleek op 24 januari 1884 een zware storm enorme schade aangericht te hebben aan het dak en de goten. Toenmalig gemeenteonderwijzer Augustus Hoet kreeg in januari 1892 een vergoeding van 205 frank. Daarmee moest hij én de verwarming, én het onderhoud van de gebouwen en meubilair, én de behoeften van de arme leerlingen dekken. Die laatsten kostten hem trouwens ongeveer de helft van het bedrag. Bovendien drongen zich in 1893 opnieuw herstellings- en verbeteringswerken op. De moeilijke financiële  en materiële toestand leek dus nooit echt op te klaren[44].

5.) 1914-1940: Leerplicht en volksonderwijs: de bloei van het onderwijs

 

a.) De leerplichtwet na de Eerste Wereldoorlog

 In mei 1914 werd de wet op de leerplicht aangenomen. Dit hield in dat ieder kind verplicht naar school moest voor een periode van acht jaar, namelijk vanaf hun zesde tot hun veertiende. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zorgde echter voor uitstel in de toepassing van de wet[45].

 Na het beëindigen van de oorlog werd er werk gemaakt van de invoer van de leerplicht, die zowel in de gemeente- als aangenomen school tot praktische veranderingen leidde. In de gemeenteschool werd Octaaf Decock, die sinds 24 september 1919 August Hoet verving als schoolhoofd, verzocht om een derde klas op te richten. Uiteraard moest er voor het extra werk een extra onderwijzer aangesteld worden. Die taak was oorspronkelijk weggelegd voor Leopold Vansteenkiste, die in oktober en november 1920 voor de klas stond. Hij werkte toen samen met schoolhoofd Decock en nieuwkomer Jozef Quatannens[46].

 Het onderwijzerkorps in de gemeenteschool onderging nogal wat veranderingen in de jaren ’20, om dan weer voor een lange periode identiek te blijven. Zo bleken ook een zekere André (tot 1 november 1923, wellicht ter vervanging van Leopold Vansteenkiste) en Raoul Surmont (ter vervanging van 10 tot 30 augustus 1922, van 5 oktober tot 31 december 1922) les gegeven te hebben in de gemeenteschool. André Surmont werd opgevolgd door Robert Verschuere. In augustus 1924 kwam een vrouw in dienst. Maria Dumon nam de lessen van Robert Verschuere over, aangezien die zijn legerdienst moest vervullen[47].

 Weldra werd er ook een vierde graad geïnstalleerd, waarvoor een kamer van het aanpalende schoolhuis als lokaal ging dienstdoen. Het was echter duidelijk dat deze situatie niet zou kunnen blijven aanhouden. In 1930 richtte de provinciegouverneur een brief aan de gemeente om plannen voor een schooluitbreiding te maken. In 1938 keurde de Bestendige Deputatie het ontwerp goed, zodat in december 1938 de gemeente kon overgaan tot de aanbesteding van de werken. Het plan werd als volgt opgesteld:

 

 

 


Plan uit: G.A. Ingooigem. Map 1939: Vergrotingswerken. Het plan werd getekend door architect R. Delarue uit Anzegem en op 15 december 1938 voorgelegd aan het gemeentebestuur. De nieuwe klas (licht getekend) komt in het verlengde van de drie bestaande klassen en het onderzoekslokaal (donker getekend), dat vroeger aan het uiteinde van het gebouw lag. Om de toegankelijkheid van de nieuwe klas mogelijk te maken, moet de gang eveneens verlengd worden. Dit overzichtsplan maakte deel uit van een groter plan waarin -naast de uitwerking van het bouwplan- ook tekeningen stonden van de lessenaars voor de leerlingen, het bureau en de stoel van de leerkracht en het bord.

De kosten zouden gedeeld worden met de staat (33%); de provincie (10%); het ministerie van Openbare Werken en Werkverschaffing (15%)… én Tiegem. In de notulen van de gemeenteraad stond immers te lezen[48]:

 

De Raad heeft beslist tot de aanbesteding van bedoelde goedgekeurde schoolwerken over te gaan, alsmede na bespreking en overleg de gemeente Overheid van Tiegem te verzoeken een hulpgeld te verleenen voor het oprichten eener 4de klas, in vergelding van de schoolplichtige kinderen hunnen gemeente die regelmatig de school bijwonen in de gemeente Ingooigem.

             Dat de kosten op Tiegem verhaald werden, was ook niet verwonderlijk. Ingooigem had in de jaren ’20 en ’30 al heel wat geïnvesteerd in de gemeenteschool, zodat de noodzakelijke uitbreidingswerken een serieuze knauw in de begroting betekenden. Zo werd in 1926-1927 geïnvesteerd in opknappings- en verbouwingswerken aan het schoolhuis van de hulponderwijzer (links), aan het schoolhuis van de hoofdonderwijzer (rechts) en aan de schoollokalen zelf. Het totaal van de kosten bedroeg 4784 frank. In 1937 werden er werken uitgevoerd aan de speelplaats (o.a. plaveien) en de buitenmuren. Het was dan ook geen verrassing dat op 23 mei 1939 twee boze brieven, betreffende de uitbreidingswerken, werden voorgelezen in de gemeenteraad. De eerste was van de schoolopziener, die vond dat de situatie met een voorlopige klas in het schoolhuis niet langer geduld kon worden. Hij zou indien nodig sancties treffen. De tweede brief biedt een verklaring voor de vertragingen. De provinciegouverneur stelde dat de Bestendige Deputatie de toewijzing van de werken niet zou goedkeuren zolang de gemeentebegroting niet in orde was. Uiteindelijk werden de werken toch aangevangen[49].

 Door de inrichting van de vierde graad moest de gemeente opnieuw gaan schuiven met het personeel. De aanstelling van een vierde leerkracht drong zich op. In september 1937 kwam Albert Lafosse in dienst. Hij stond in voor de 4de graad[50].

             In de aangenomen meisjesschool was het in de jaren na de Eerste Wereldoorlog tevens een periode van komen en gaan. In de periode 1919-1921 verdwenen vijf kloosterzusters van het toneel: Irma Wulleman (maart 1914-januari 1921); Valentine Laquet (oktober 1915- mei 1919); Romanie Sanders (november 1915- januari 1921); Augusta Ervyn (9 november 1915) en Eugenia Vanhove (?- januari 1921). Er verschenen nieuwe namen op het appel: Irma Vanderhaeghe (bewaarschool: januari 1921- augustus 1948); Tarcilla Cottenier (lagere school: oktober 1918- maart 1941); Marie D’Huyvetter (?) en Julia Hullebusch (lagere school: januari 1921- september 1924).

             De personeelsbezetting wijzigde nog vaker dan in de gemeentelijke jongensschool. In de bewaarschool waren naast Irma Vanderhaeghe ook Leona Verhelst (december 1931- september 1932); Germaine Terras (september 1932- januari 1939); Esther Mortier (mei 1938- juli 1938) en Clara Terras (januari 1939-december 1978) actief. In de lagere school stonden naast schoolhoofd Tarcilla Cottenier en Julia Hullebusch (tot 1924) ook de volgende kloosterzusters in het onderwijs: Germaine Vandamme (oktober 1924- augustus 1929); Jeanne Detremmerie (oktober 1924- april 1927); Clara Vandenbroucke (april 1927- augustus 1932); Anna Van de Maele (september 1929- juni 1937); Paula De Pauw (september 1929- november 1931); Martha Colemonts (oktober 1932- februari 1942); Marie-Hélène Hoet (juli 1937- april 1945) en Elza Roels (september 1938- oktober 1938). Het is maar al te zeer de vraag of deze veelvuldige wissels de onderwijskwaliteit op peil hielden[51].

 De invoering van de leerplicht was voor veel kinderen een zegen. Het was immers zo dat de meeste kinderen op hun veertiende meteen aan de slag gingen of in het huishouden moesten helpen. De lagere school was voor velen dus een levensschool, waar de kennis en kunde voor het hele latere leven werd opgedaan. Vooral de vierde graad moest een scharnier tussen het school- en echte leven vormen. De kwaliteit van dit onderwijs was echter sterk afhankelijk van de inzet van de desbetreffende onderwijzer. Vaak ging men gewoon verder op de ingeslagen weg van de voorgaande graden. In de meisjesschool werd bijvoorbeeld nog meer aandacht besteed aan handwerk. Over de leerlingenbezetting in de vierde graad is er weinig geweten. De weinige cijfers die bekend zijn, zijn gegevens van de gemeentelijke jongensschool vanaf het schooljaar 1958-1959. Het is wel zeker dat in 1956 de vierde klas tijdelijk overbodig werd, want er waren immers 15 leerlingen nodig om een extra-klas in te richten. Leerlingen werden toen samengezet met de derde graad. De vierde graad werd in 1975 definitief afgeschaft. De gevonden gegevens blijken zeer onvolledig te zijn[52]:

 

Schooljaar

4de klas?

Jaar

Vertrek na 6de leerjaar

7

8

Aantal

Locatie

1958-1959

Nee

8

0

?

?

1959-1960[53]

Nee

?

?

?

?

1960-1961

Nee

?

?

?

?

1961-1962

Nee

?

?

?

?

1962-1963

Nee

1

2

4

Technische School (2), College (2)

1963-1964

Ja, vanaf 21-1-64

?

?

?

?

1964-1965

?

?

?

?

?

1965-1966

Nee

?

?

?

?

1966-1967

Ja, vanaf 1-1-67

?

?

18

Vakschool Waregem (9), College Avelgem (3), Rijks Technische School Waregem (3), Rijksschool Waregem (2), Technische School Kortrijk (1)

1967-1968

Ja, tot

1-10-68

?

?

?

?

1968-1969

Nee

?

?

?

?

1969-1970

Nee

?

?

?

?

1970-1971

Nee

?

?

?

?

1971-1972

Nee

?

?

?

?

1972-1973

Ja

?

?

?

?

1973-1974

Ja

?

?

?

?

1974-1975

Nee

?

?

?

?

 

            Doorheen de onvolledige cijfers valt toch de leegloop van de vierde graad vast te stellen. Meer en meer jongens gingen secundair onderwijs volgen in Avelgem, Waregem of Kortrijk. Dit valt ook te merken aan de beslissingen van de gemeenteraad. Zo koos men op 29 december 1955 ervoor om subsidies toe te kennen aan de “schoolplichtige kinderen der gemeente die daglessen volgen in het Middelbaar technisch of normaalonderwijs”[54].

 

b.) Octaaf Decock in de bres voor de landbouwersjeugd

             Schoolhoofd Octaaf Decock poogde reeds in de jaren ’20 een naschools project op te zetten dat geheel in de traditie van het volksonderwijs kon geplaatst worden. In 1925 richtte het schoolhoofd de Studiebond der Jeugd op. Gezien het agrarische karakter van de gemeente, had men vooral de bedoeling om de jongens enige kennis en vaardigheden over het landbouwleven bij te brengen. Daartoe werden een aantal proefvelden ingericht. In 1933 sloot de studiebond aan bij de nationale Boerenjeugdbond, om in 1936 tenslotte samen te smelten met de plaatselijke KAJ-afdeling. Het initiatief van Octaaf Decock groeide dus geleidelijk uit tot een volwaardige jeugdbeweging, maar ook in de school zelf bleef de landbouw een belangrijk thema[55].

 

               

K.A. Ingooigem: De jonge Kerels van Ingooigem KAJ-BJB. Links: Octaaf Decock, schoolhoofd en stichter van de Studiebond der Jeugd. Rechts: Proefveld uit 1936 van de Boerenjeugdbond.

6.) 1940-1945: Oorlogsdreiging[56]

 

a.) Gevolgen van de Achttiendaagse Veldtocht

             Vanaf 1939 teisterde de Tweede Wereldoorlog het oude Europese continent. Dergelijk conflict had een nefaste invloed op de dagelijkse levenswijze, en dus ook op het onderwijs te Ingooigem. Toen op 10 mei 1940 de oorlog ons land bereikte, sloten de Ingooigemse scholen meteen de deuren. De kinderen waren aanvankelijk blij, maar enkele verdwaalde bommen van Duitse vliegtuigen zorgden meteen voor paniek. Al snel kwamen er Britse soldaten op logement die de Schelderegio klaarmaakten voor de strijd. Omdat de dorpen tussen Schelde en Leie duidelijk betwist gebied zouden worden, drongen de Britten aan op een evacuatie van de plaatselijke bevolking. Ook de leerkrachten van de gemeente –en aangenomen scholen namen het zekere voor het onzekere, en verlieten het dorp. Dit bleek genoeg om na de gebeurtenissen van mei 1940 een tuchtonderzoek op te leveren, aangezien het hier om “gemeentelijke agenten” ging die hun plichten ontvlucht waren. De volgende dosiers werden behandeld door de bevoegde tuchtcommissie[57]:

 

Onderwijzer(es)

Afwezigheid

Straf

GEMEENTELIJKE JONGENSSCHOOL

Octaaf Decock (schoolhoofd)

Verplichte evacuatie op 22 mei 1940, terug op 28 mei 1940.

Geen

Robert Verschuere

Verplichte evacuatie op 22 mei 1940, terug op 28 mei 1940.

Geen

Albert Lafosse

Verplichte evacuatie op 22 mei 1940, terug op 23 mei 1940.

Geen

Jozef Quatannens

Verplichte evacuatie op 22 mei 1940, terug op 25 mei 1940.

Geen

AANGENOMEN MEISJES- EN BEWAARSCHOOL

Tarcilla  Cottenier (schoolhoofd)

Verplichte evacuatie op 21 mei 1940, terug op 28 mei 1940.

Geen

Marie-Hélène Hoet (L)

Verplichte evacuatie op 20 mei 1940, terug op 27 mei 1940.

Geen

Clara Terras (B)

Verplichte evacuatie op 21 mei 1940, terug op 28 mei 1940.

Geen

ENGELHOEKSCHOOL

Firmin Vandenbogaerde

Gemobiliseerd vanaf augustus 1939 tot 9 juni 1940.

Geen

Blanda Vandenbergh

Verplichte evacuatie 19 mei 1940, terug op 22 mei 1940.

Geen

Octavie Sanders

Verplichte evacuatie 18 mei 1940, terug op 31 mei 1940.

Geen

Maria Sanders

Idem.

Geen

             De Ingooigemse onderwijzers hadden nog andere problemen. Clara Terras, die instond voor de bewaarschool in het centrum, was bij haar terugkeer verbolgen over het feit dat alles wat niet te heet of te zwaar was uit de meisjesschool verdwenen was. Etienne Demmerie, leerling van de gemeenteschool en bewoner van een schoolhuis, vertelde dat er bij zijn terugkeer Duitse soldaten in de keuken zaten en dat ze de deuren meegenomen hadden om als brancard te gebruiken. Er moesten meteen na de oorlogsfeiten noodzakelijke herstellingswerken uitgevoerd wordenn. Voor de gemeentelijke jongensschool is hier iets meer over geweten, aangezien er een gemeentelijk schadedossier bewaard is. Zo bleek dat Hilaire Vandenbossche, schrijnwerker uit Ingooigem, al snel aangezocht werd om twee vernielde en twee gebarsten ruiten in de jongensschool te herstellen. Hij stond eveneens in voor de reiniging van de schoolgebouwen (schilderen en witten). Maar wat Hilaire niet kon tenietdoen, was de verdwijning van en de beschadiging aan schoolmateriaal. Plunderaars hebben lelijk huisgehouden in Ingooigem[58]

BESTATIGINGSBEWIJS

VAN ONTVREEMDE OF BESCHADIGDE GOEDEREN

DER GEMEENTE

 

A.       ONTVREEMD:

 

Belgische geschiedenis            10 Exemplaren     Frs. 100

Atlassen: Hoogere graad         10 Exemplaren     Frs.   80

Schrijfboeken 1 lyn                25 Exemplaren     Frs.   12.50

Pennen                                      1 Doos                   Frs.    8.50

Potlooden                                  10 stuks                           5

Pennesteken                             10 stuks                           5

Gommen                                    20 stuks                                        10

Vaagborstels                            2 stuks                            9

Dekselpapier (rol)                   1 rol                               35

                                                  In totaal:                Frs. 265…………………265

B.       BESCHADIGD:

Kachel: Voet gebroken                                            Frs.   30

Wereldbol: een stuk                                                Frs.   90

Groot bord (hoogste klas) 1 stuk                            Frs.   80

Bordvleugels 2 stuks                                                              Frs.  150

Bordvleugel (3e klasse) 1 stuk                                Frs.   35

Landkaarten Europa beschadigd                           Frs.   25

                      Wereldeelen Azie gescheurd           Frs.   60

                      Amerika                                             Frs.   40

                      Afrika                                                Frs.   20

                      Palestina                                            Frs.   20

                      Platte wereldkaart                             Frs.   25

                      Print liturgie                                      Frs.    10

Kubieke decimeter 1 stuk                                       Frs.    12

Printen Heilige geschiedenis 10 stuks                  Frs.  100

                                                  In totaal:                Frs.  692…………………692

                                  ’t Zy voor een gezamentlyke waarde van………………………Frs. 957

 

HET SCHOOLHOOFD

(get.)

 

Men kan zich inbeelden dat de gemeenteschool er nogal netjes moet uitgezien hebben. Er stierf zelfs een Belgische soldaat[59] in deze schoolgebouwen. De herstellingen en aanschaf van nieuw materiaal werden gelukkig gedekt door de verzekering, want de gemeente zat krap bij kas. De financiële middelen waren uitgeput of moesten voor andere noden aangewend worden. Kort na de Duitse bezetting werd ongeveer 20% van de Ingooigemse bevolking met armoede geconfronteerd (363 op 1767 inwoners), zodat de gemeente liever in een steunfonds voorzag dan de voorschotten voor het onderwijzend personeel uit te betalen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste herstellingen en opruimingen pas na de bevrijding gebeurden. Zo besliste de gemeenteraad bijvoorbeeld pas op 10 mei 1946 om “gezien het gebrek aan grondstoffen voor het uitvoeren van schilderwerken gedurende de oorlogsperiode, gezien het noodzakelijk is de schoollokalen te schilderen voor gezondheidsredenen […], gezien de beschadiging der klassen tengevolge der oorlogsomstandigheden, beschieting en plundering en schade door de legers in 1940 en 1944 […] de klaslokalen en schoolhuis van de hoofdonderwijzer te laten schilderen[60]. Dergelijk uittreksel toont duidelijk de financiële moeilijkheden van het gemeentebestuur tijdens de bezetting[61].

 

b.) Onderwijs in bezettingstijd

             De bezetting bracht heel wat bevoorradingsproblemen met zich mee, wat vooral de kinderen tot een kwetsbare groep maakte. Tijdens de bezetting werd er dan ook alles aan gedaan om vanuit de rantsoeneringsdienst supplementen voor kinderen te voorzien (chocolade, schoolsoep). Vanaf 1941 stond de organisatie Winterhulp, plaatselijk vertegenwoordigd door Octaaf Bekaert, in voor de bedeling van appelsienen, schoolsoep, melk, vitamines en levertraan. Deze hulp was zeker niet gratis, behalve voor drie- tot vijfjarigen. Ook de verwarming vormde een probleem tijdens de koude oorlogswinters, aangezien ook de brandstoffen gerantsoeneerd werden.

              Wie waren de leerkrachten die het in deze moeilijke tijd moesten zien te redden? In de aangenomen meisjesschool stond Tarcilla Cottenier aan het roer, maar vanaf 1 april 1941 werd ze als schoolhoofd vervangen door Irma Cottenier. Die laatste beëindigde op 31 augustus 1942 haar taak. Op 1 februari 1943 werd Esther Declercq (Zuster Ernestine) als schoolhoofd benoemd. Ze oefende dit ambt uit tot 1956. De bewaarschool werd gerund door Irma Vanderhaeghe; Clara Terras (Zuster Bernadette) en Andrea De Ruyck (25-02-1944 tot 07-04-1944). De meisjes werden onderwezen door Martha Colemonts (tot 01-02-1942); Marie-Hélène Hoet; Irma Cottenier (vanaf 02-09-1940 tot 01-04-1941) en Godelieve Demerie (vanaf 11-03-1941)[62].

             In de gemeentelijke jongensschool stond Octaaf Decock gedurende de hele oorlogsperiode aan het roer. Hij werd bijgestaan door Albert Lafosse, Robert Verschuere en Jozef Quatannens. In juli 1942 werd Diederik Quatannens als tijdelijk vervanger van de zieke Berten Lafosse aangesteld. Meester Lafosse was toen ook al meer en meer met zijn echte passie, de wielersport, bezig. In 1941 stond hij aan de wieg van rennersclub S.V. Deerlijk (clubleden waren o.a. Briek Schotte, Marcel Kint, André Defoort, Albert Sercu, Romain en Sylveer Maes). In 1942 organiseerde de onderwijzer-journalist een eerste profkoers te Ingooigem. Daarnaast stond hij nog in voor heel wat andere organisaties en het journalistieke werk bij Het Nieuwsblad-Sportwereld. De vraag was hoe lang Berten Lafosse de combinatie van al die taken zou blijven uitvoeren[63].

 

c.) Antwerpse kinderen op de Ingooigemse schoolbanken

             Wat de Ingooigemse scholen wellicht het meeste zal bijgebleven zijn, is het logement van Antwerpse kinderen na de bevrijding. Antwerpen werd tussen november 1944 en maart 1945 immers bestookt met V-bommen. 65 Kinderen werden voor de periode december 1944-april 1945 in Ingooigemse gezinnen ondergebracht met de bedoeling om hen een zorgeloze en veilige periode te laten doormaken. Hieronder staat de volledige lijst, zoals ze door onderpastoor Rathé werd opgesteld[64].

 

GASTGEZIN

ADRES

KIND

(eventueel plaats van herkomst)

LEEFTIJD

SCHOOL

Cloet Alberic

Engelhoek

Anny Heyens (Wilrijk)

10 jaar

Meisjesschool

Cloet Odiel

Engelhoek

Cecile Gaeters

/

Meisjesschool

Decock Maurice

Engelhoek

/

/

/

Demerie Richard

Engelhoek

Emma Peeters

11 jaar

Engelhoek

Dendauw Alois

Engelhoek

Leo Peeters

5 jaar

Engelhoek

Eggermont Cyriel

Engelhoek

Louis Wilmet

7 jaar

Engelhoek

Eggermont Marcel

(later naar weduwe Avet)

Engelhoek

Irène Mermans

5 jaar

Meisjesschool

Vandenbossche Gilbert

Engelhoek

Jan Jacobs

8 jaar

Engelhoek

Vandeputte Jules

Engelhoek

Maria Heyens (Wilrijk)

13 jaar

Meisjesschool

Weduwe Feys Emeric

Engelhoek

Ivo Wilmet

6 jaar

Engelhoek

Avet Medard

Hulstbos

Marie Josée Vleminckx

8 jaar

Meisjesschool

Decandt Ivo

Hulstbos

Blondina Verhaert

14 jaar

Meisjesschool

Degroote Ernest

Hulstbos

Jan Rabaut ?

10 jaar ?

/

Degroote Kamiel

Hulstbos

Pierre Verkooyen

13 jaar

/

Demerie Alberik

Hulstbos

François Rabbachin

(Deurne)

12 jaar

Jongensschool

Deruyter Cyriel

Hulstbos

Gilbert Ingelaars

11 jaar

/

Derycke André

Hulstbos

Martha Dewinter

13 jaar

Meisjesschool

Derycke Gaston

Hulstbos

Yvonne Borret

11 jaar

Meisjesschool

Ronse Valère ?

Hulstbos

Gustave Agemans ?

5 jaar ?

/

Vandenbossche Omer ?

Hulstbos

Marie Notebaert ?

/

/

Vergucht Albinus

Hulstbos

Meisje?

10 of 14 jaar?

/

Verhoost Odiel

Hulstbos

Simone Heyens (Wilrijk)

5 jaar

Meisjesschool

Vervaecke Valère

Hulstbos

René Agemans

12 jaar

/

Waelkens Odiel

Hulstbos

Alfons De Bode

8 jaar

Jongensschool

Weduwe Avet

Hulstbos

Irène Mermans

5 jaar

Meisjesschool

Leroy Leon

Huttegem

Victorine Peeters

9 jaar

Engelhoek

Bekaert Octaaf

Plaats

Edward Leenaerts

4 jaar

/

Bouckaert Marcel

 

Plaats

 

Johan Heyens (Wilrijk)

8 jaar

Jongensschool

Robert Heyens (Wilrijk)

4 jaar

Bewaarschool

Burgemeester Balcaen Hector ?

Plaats

Michel Rabaut ?

10 jaar ?

/

Colpaert Gentiel ?

Plaats

Frans Thyssens ?

/

/

Coudyzer René

Plaats

Willy Borret

6 jaar

Bewaarschool-

Jongensschool

Decant Richard

Plaats

Jean Jacobs (Deurne)

8 jaar

Jongensschool

Decock Octaaf

Plaats

August Minner

11 jaar

/

Defoort Cyriel

Plaats

Emelie Van Riet

6 jaar

/

Derycke Urbain

Plaats

Emilia Crombé

4 jaar

Meisjesschool

Desmet Bruno

 

Plaats

 

Mia Bogaerts (Deurne)

/

/

Frans Bogaerts (Deurne)

9 jaar

Jongensschool

Desmet Remi

Plaats

Emilia Althof ?

/

/

E.H. Brutsaert ?

(kan niet[65])

Plaats

Philomene Van Riet ?

12 jaar ?

/

E.H. Rathé

Plaats

Antoine Heyens (Wilrijk)

14 jaar

Jongensschool

Lafosse Jozué

Plaats

Lucienne Kampers (Deurne)

11 jaar

Meisjesschool

Laneau

Plaats

Jules Van de Sande

11 jaar

/

Lateur Frank [Stijn Streuvels]

Plaats

Caroline Agemans

4 jaar

/

Merlier Cyriel

Plaats

Lucie Crombé

6 jaar

Meisjesschool

Pommelaere Jules

Plaats

Maria Michielsen (Deurne)

6 jaar

Meisjesschool

Vandeputte Bertha

Plaats

Marie-Louise Maquet

9 jaar

Meisjesschool

Vanhoutte Jules

Plaats

Gustave Agemans

5 jaar

/

Van Tieghem Honoré

Plaats

Maria Kampers (Deurne)

15 jaar

Meisjesschool

Verhoest Cyriel

Plaats

Elza Agemans

8 jaar

/

Weduwe Depraeter (later naar Derycke Gaston)

Plaats

Yvonne Borret

11 jaar

Meisjesschool

Weduwe Steeland Gustave

Plaats

Mariette Van Durme

/

/

Weduwe Vanden Bergh

Plaats

François Borret

4 jaar

Bewaarschool

Ysebaert Gaston

Plaats

/

/

/

Avet Bredar

Vossenhoek

Julia Weets

8 jaar

Meisjesschool

Callens Remi

Vossenhoek

Frans Crombé

13 jaar

Jongensschool

Cremelie Jules

Vossenhoek

Marcel Fobelets

(Deurne)

9 jaar

Jongensschool

Dendooven Kamiel

Vossenhoek

Celestina Weets

7 jaar

Meisjesschool

Lanneau Joël

Vossenhoek

Maria Minner

5 jaar

/

Weduwe Dewaele August

Vossenhoek

Maria Weets

14 jaar

Meisjesschool

Decant Richard

Waashoek

/

/

/

Isebaert Gusta ?

Waashoek

Lea Van Riet ?

9 jaar ?

/

Vanhoutte André ?

Waashoek

Michel Rabaut ?

10 jaar ?

/

Vererfven René

Waashoek

Maria Vleminckx

(Deurne)

10 jaar

Meisjesschool

Weduwe Lombaert

Waashoek

Yvonne Meiremans

13 jaar

Meisjesschool

 

7.) 1945-1958: Een bewogen naoorlogse periode

 

a.) Afscheid van een monument

             Het eerste bewogen moment voor het Ingooigemse onderwijs na de Tweede Wereldoorlog was het afscheid van schoolhoofd Octaaf Decock. In het plaatselijk krantje Het Yvegemnaarke werd in januari 1945 het volgende bericht gedrukt[66]:

 

Een welverdiende hulde:

 

Met het einde van ’44 diende onze achtbare hoofdonderwijzer, dhr. Octaaf Decock zijn ontslag in. Zaterdag vóór Kerstdag was het zijn laatste klasdag. Al de leerlingen, klein en groot, deden mee aan een eenvoudig doch dien roerend afscheidsfeestje.

 

Doch dit is niet genoeg! Na 41 jaar onderwijs, waarvan 36 op Ingooigem, loopt ons dorp vol van oud-leerlingen, die aan Meester Octaaf hun opleiding te danken hebben. Het ware een onvergeeflijke fout moesten we hem zoo laten heengaan!

 

Daarom worden al zijne oud-leerlingen, en ook andere gezinnen van ons dorp, uitgenoodigd tot de viering op Driekoningen, Zaterdag 6 januari.

 

Te 9 u. Plechtige Mis van dank, waaronder gelegenheidssermoen door den Weleerwaarden Heer Ducatteeuw, (broeder van meester Roger,) doctor in de paedagogie en professor aan de normaalschool voor onderwijzers te Torhout.

 

Aanstonds daarna, hulde in de patronage, waar onze drie scholen en de oud-leerlingen hun fijnste nummers zullen ten tooneele brengen. Het woord zal gevoerd worden door dhr. Burgemeester namens de gemeente en door dhr. Quatannens namens het onderwijzerskorps.

 

Geen kinderen worden toegelaten in de patronage.

 

We hopen ieder gezin van ons dorp er aan zal houden vertegenwoordigd te zijn in de kerk en patronage, als blijk van hulde aan onzen alom geachten Meester Octaaf. Hij leve nog lang in ons midden!

 

            De hulde moest blijkbaar ook met iets tastbaars beklonken worden, want er vertrok een aanvraag uit de gemeente om het schoolhoofd de “Gouden Palmen der Kroonorde” te bezorgen. Deze onderscheiding kwam in vervolg op zijn “Burgerlijke Medaille 1ste klas” (25 jaar dienst, 1934) en zijn “Bijzonder Landbouwereteken 2de klas” (1936). Bovendien werd Octaaf Decock tot ere-schoolhoofd benoemd door een besluit van 29 december 1944. Uit dit alles blijkt dat Octaaf Decock een enorme stempel gedrukt heeft op het Ingooigemse onderwijslandschap, en hij zou het ook blijven doen na zijn actieve loopbaan[67].

 

b.) naoorlogse positiewissels

             Jozef Quatannens werd het nieuwe schoolhoofd in de jongensschool en nam tevens de vierde graad over van Octaaf Decock. Hij zou beide functies tot 1 september 1959 blijven uitoefenen. Ook andere leerkrachten namen afscheid van het schoolleven. Leerkracht en sportjournalist Albert Lafosse droeg op 1 november 1947 de fakkel over aan Gaston De Langhe, die de eerste graad voor zijn rekening nam. Eerder, namelijk in 1946, werd de zieke Albert Lafosse reeds tijdelijk vervangen door Wortegemnaar Léon Vanderhaeghe. De toenemende afwezigheid en het ontslag hadden echter veel meer te maken met journalistieke activiteiten. De gemeente wilde nog toegeven aan een jaartje verlof om persoonlijke redenen (lees: journalistieke redenen), maar de hogere overheid zag er geen graten in. Albert Lafosse diende dan maar, na 10 jaar dienst, ontgoocheld zijn ontslag in[68].

             In de aangenomen meisjes- en bewaarschool brak alweer een periode van positiewissels aan, hoewel er toen enkele zusters een lange onderwijstermijn vervulden. Zuster Ernestine, die sinds 1943 aan het roer stond, bleef op post tot op 30 september 1956: voorwaar een lange periode. In de bewaarschool bleven Clara Terras (tot december 1978) en Irma Vanderhaeghe (tot augustus 1948) op post. In september 1946 komt Maria-Josepha De Bosscher erbij, die twee tijdelijke termijnen vervult tot augustus 1949. Uiteindelijk wordt Esther Hoet vast benoemd als kleuterleidster. Zij zal vanaf september 1949 dertig jaar lang in dienst blijven. In de lagere klassen vertrok Marie-Hélène Hoet in april 1945. Godelieve Demerie bleef op post tot 31 december 1951. Intussen was alweer een hele positiewisseling tot stand gekomen. In januari 1947 werd Judith Hoet benoemd (tot augustus 1979); gevolgd door Hilda Van Den Abeele in september 1949 (tot september 1951), Gilberte Vanhoutte in september 1951 (tot augustus 1954), Wivine De Lombaerde in januari 1952 (tot september 1956), Lutgarde Braet in september 1954, Maria Vandendriessche in september 1956 (tot augustus 1959), Andrea Nijs in september 1957 (tot augustus 1959) en Diane Vercruysse in september 1959 (tot augustus 1989)[69].

 

c.) 1945-1958: Naar een nieuwe schoolstrijd

             Ook de nationale politiek heeft de Ingooigemse onderwijsinstellingen parten gespeeld. Zo werd de naoorlogse periode tot en met 1958 gekenmerkt door nieuwe problemen in de onderwijssector. Men sprak zelfs van een tweede schoolstrijd, gaande over de subsidies aan de netten en de oprichting van rijksscholen. De toenmalige C.V.P. wilde de vrije keuze van onderwijs waarborgen door de subsidies voor het katholieke net op te trekken. Ook de Ingooigemse politici benadrukten in 1952 de vrijheid van onderwijs[70]:

 

Het college maakt de opmerking dat de schoolplichtige kinderen der gemeente, vrij zijn lessen te volgen in eender welke school, volgens de wet tot regeling van het lager onderwijs van 19.5.14 art. 1. en dat er geen druk, of dwang mag uitgeoefend worden, op de ouders der schoolplichtige kinderen; voor het volgen der lessen in een bepaalde school.

 

            In 1954 kwam een socialistisch-liberale regeringscoalitie tot stand. De subsidiekraan voor het vrije onderwijs werd dichtgedraaid en bovendien achtte de regering het noodzakelijk om autonoom te beslissen waar zij rijksscholen konden oprichten. De vrije, gemeente- en provinciale scholen zaten met de handen in het haar. Onderwijsminister Collard werd de kop van jut. Op 21 maart 1955 richtte oud-schoolhoofd Octaaf Decock het woord tot zijn colega-gemeenteraadsleden en wenste hij een motie te richten tot de regering. Het werd een rumoerige zitting. De gemeenteraadsleden verlieten uit protest tegen de regering vroegtijdig de zaal. Octaaf Decock, duidelijk nog altijd betrokken met het onderwijs, richtte de volgende harde woorden tot de regering[71]:

 

De gemeenteraad van Ingooigem drukt zijn verzet uit tegen de aanslagen op de gemeentelijke en provinciale autonomie beraamd door Minister Collard in zijn wetsontwerpen op het onderwijs

… eist voor de provinciën en gemeenten bezitten om zelfstandig leerkrachten te benoemen in hun eigen scholen, om vrije onderwijsinstellingen aan te nemen, te subsidiëren of te patroneren;

… eist voor het gemeentelijk en provinciaal onderwijs de financiële steun van de staat, ten einde de gemeenten en provinciën te helpen voorzien in de uitrustings en werkingskosten van de instellingen die onder hun hoede staan

… wijst op de financiële gevolgen van de aangekondigde wetten

… verzoekt de Minister van Binnenlandse Zaken de gemeentelijke en provinciale autonomie daadwerkelijk te verdedigen

… rekent erop dat alle parlementsleden, die gehecht zijn aan onze nationale instellingen, de wetsontwerpen van de Regering uit alle kracht willen bestrijden; roept alle gemeenteraden op om hun stem te verheffen ter verdediging van de meest essentiële van hun rechten en belangen.

 

            Uiteindelijk bereikte de nieuwe katholieke regering in 1958 een compromis, het zogenaamde “schoolpact”.

8.) 1945-heden: Het schoolleven doorgelicht

             De overvloed aan informatie die kenmerkend is voor onze hedendaagse maatschappij liet zich ook voelen tijdens het onderzoek. Waar de zoektocht voor de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw gediend was met enkele velletjes vergeeld papier en sporadische verwijzingen in de gemeentelijke notulen, bleek de naoorlogse periode overvloedig gedocumenteerd te zijn. Om in die chaos enige orde te scheppen, word de volgende periode thematisch uit de doeken gedaan. Hierbij wordt echter zoveel mogelijk de chronologische volgorde gerespecteerd. Het is echter mogelijk dat hierdoor enkele personen of gebeurtenissen uit de boot vallen, waarvoor excuses.

a.) 1945-1946: Naoorlogse leerlingenaantallen

             Het bleek in het schooljaar ‘45-’46 goed te gaan met het leerlingenbestand in de beide centrumscholen. Een uittreksel uit de notulen van het Schepencollege maakt melding van telkens 90 leerlingen, verdeeld over 4 klassen. Bovendien leek de opvolging verzekerd door de 32 jongens en 35 meisjes die in de bewaarschool van de zusters schoolliepen. Minder goed nieuws voor de gemeente was het hoge aantal rechthebbende leerlingen, die een tussenkomst van de gemeente genoten om hun schoolgerief te kunnen bekostigen. De Engelhoekschool telde verhoudingsgewijs het grootste aantal rechthebbenden. De crisis was zeker nog niet voorbij[72]:

 

School

Aantal leerlingen

Aantal rechthebbenden

Jongens

Meisjes

Jongens

Meisjes

Gemeenteschool

90

0

41

5 (Tiegem)

0

Aangenomen school Center

Bewaarschool

 

 

 

Meisjesschool

 

32

 

 

 

0

 

35

 

 

 

90

 

15

2 (Tiegem)

1 (Anzegem)

 

0

 

12

 

 

 

46

6 (Tiegem)

Aangenomen school Engelhoek

Bewaarschool

Gemengde Lagere school

 

18

63

 

12

55

 

10

37

 

8

40

             In de daaropvolgende jaren durfde het leerlingenaantal nogal schommelen. Belangrijke invloeden gingen uit van: het aantal leerlingen in de vierde graad (cijfers die reeds aan bod kwamen) en het aantal nieuwe leerlingen t.o.v. het aantal vertrekkers. Voor de gemeentelijke jongensschool zijn deze cijfers nagenoeg volledig bijgehouden vanaf het schooljaar 1957-1958. Opvallend is ook het gegeven dat er steevast enkele ouders uit omringende gemeenten voor het Ingooigemse onderwijs kozen. Eén van de redenen is de specifieke geografische situatie van de gemeente.

 

Schoolja(a)r(en)

Aantal leerlingen

Aantal  eerstejaars

Woonplaats

Ingooigem

Elders

1957-1958

75

13 (?)

72

3 (Anzegem)

   1958-1959 +

1959-1960

69+15=84

2+7

81

3  (Anzegem; Otegem)

   1960-1961 +

1961-1962

75+17=92

22+17

89

3 (Anzegem; Tiegem)

   1962-1963 +

1963-1964

88+13=101

11+12

92 à 96

5 à 9 (Anzegem; Tiegem)

1964-1965

72

8

69

3 (Tiegem)

1965-1966

77

14

75

2 (Tiegem)

1966-1967

81

19

79

2 (Tiegem)

1967-1968

70

11

70

0

1968-1969

69

13

68

1 (Tiegem)

1969-1970

63

13

62

1 (Tiegem)

1970-1971

72

17

70

2 (Tiegem)

1971-1972

67

9

65

2 (Tiegem)

1972-1973

64 (of 73 ?)

13 (?)

60

4 (Tiegem; Waregem)

1973-1974

63

10

62

1 (Tiegem)

1974-1975

72

9

72

0

1975-1976

68

9

68

0

1976-1977

62

10

62

0

1977-1978

62

10

62

0

1978-1979

63

14

62

1 (Otegem)

1979-1980

64

12

62

2 (Anzegem; Otegem)

1980-1981

62

7

58

4 (Anzegem; Deerlijk; Otegem)

1981-1982

67

14

63

4 (Anzegem; Deerlijk; Otegem)

1982-1983

71

14

67

4 (Anzegem; Deerlijk; Otegem)

1983-1984

77

16

73

4 (Anzegem; Deerlijk; Otegem)

1984-1985

76

13

73

3 (Anzegem; Deerlijk)

1985-1886

77

13

74

3 (Anzegem; Deerlijk; Waarmaarde)

1986-1987

80

7

78

1 (Waarmaarde)

1987-1988

74

8

70

4 (Anzegem; Tiegem; Waarmaarde; Waregem)

1988-1989

70

10

66

4 (Anzegem; Tiegem; Waarmaarde; Waregem)

1989-1990

59

6

53

3 (Anzegem; Tiegem; Waarmaarde)

1990-1991

53

7

50

3 (Anzegem; Tiegem; Waarmaarde)

1991-1992

45

5

43

3 (Anzegem, Tiegem)

1992-1993

45

6

44

3 (Anzegem; Tiegem; Waarmaarde)

1993-1994

40

3

37

3 (Tiegem; Waarmaarde; Wortegem-Petegem)

1994-1995

42

10

40

2 (Waarmaarde; Wortegem-Petegem)

1995-1996

50

13

48

2 (Waarmaarde; Wortegem-Petegem)

1996-1997

58

16

53

5 (Anzegem; Tiegem; Vichte; Waarmaarde; Wortegem-Petegem)

 In een tabel geeft dit hetvolgende resultaat:


 

b.) Wat werd er zoal geleerd in 1947?

             Een inventaris van 31 juni 1947 laat ons als het ware meekijken over de schouders van de leerlingen in de gemeentelijke jongensschool. Wat moesten zij zoal leren?  De leerlingen uit het eerste en tweede leerjaar werden met drie grote paketten geconfronteerd: rekenen, taal (lezen en schrijven) en godsdienst. Wiskundige kennis werd via werkboekjes, telramen, legkaarten en blokjes aangeleerd. Opvallend is het grote aantal beelden en portretten in de klas, een combinatie van godsdienstige en vaderlandse kennis die men moest verwerven: Christus- en Mariabeelden; portretten van het vorstenpaar Albert II en Elisabeth, de paus en pater Damiaan.

             In het derde en vierde leerjaar bleven rekenen en taal een belangrijke plaats innemen, maar er kwam tevens aandacht voor andere vakken, bvb. natuurkunde, gezondheidsleer en bijbelse geschiedenis. Talrijke boeken, aanschouwingsplaten, kaarten, prenten, maten en gewichten moesten als praktische ondersteuning voor de leerstof dienen. 

            In het vijfde en zesde leerjaar werd het pakket nog verder uitgebreid met Frans, vaderlandse geschiedenis en aardrijkskunde. Voor die twee laatste vakken en de bijbelse geschiedenis had men heel wat materiaal ter beschikking gekregen in de vorm van atlassen, een wereldbol, kaarten (België, Europa, Palestina, Wereldkaart, enz.).

             In het zevende en achtste leerjaar was er een grotere nadruk op het beroepsleven. Zo had men een hele verzameling scheikundige meststoffen en zaden, en kregen de leerlingen een vak handelskennis. Daarnaast bleef de aandacht voor alle voorgaande vakken tevens behouden[73].

 

c.) Van Medisch Schooltoezicht naar een psycho-pedagogische begeleiding en beroepsoriëntering

             Er zijn twee markante evoluties doorheen de tweede helft van de 20ste eeuw waar te nemen in de begeleiding van de leerlingen. Ten eerste was er de traditionele medische begeleiding van de leerlingen die plaats zou maken voor een meer centraal georganiseerde medische begeleiding. Daarmee samenhangend werd de psycho-pedagogische begeleiding van de leerlingen steeds belangrijker. Dit alles was het gevolg van de toenemende aandacht voor studiekeuze- en beroepsvoorlichting in de naoorlogse periode[74]. Een reconstructie:

            Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Prosper Dendoncker benoemd tot dokter voor het Medisch Schooltoezicht in de gemeente- en aangenomen scholen. Hij was een drukbezet man: afgevaardigde van het Rode Kruis, lid van de passieve luchtbescherming en geneesheer te Ingooigem. Toen de man in mei 1945 overleed, was het nodig om hoogdringend een nieuwe medische toezichter te vinden. Op 15 februari 1946 viel de voorlopige keuze op A. Decock, dokter uit Vichte[75].

             Op 18 januari 1947 vond de benoeming van dokter Marc Van Tieghem plaats, die zes jaar over de medische toestand van de Ingooigemse schoolkinderen zou moeten waken. Uit de notulen van de gemeenteraad leren we iets meer over de taak van de dokter[76]:

 

Buiten het onderzoek der kinderen bij hun opneming in de school zal Heer Dokter een maal in de maand de school bezoeken, na het bezoek stuurt hij een verslag aan den burgemeester. In geval van besmettelijke ziekten zal hij zijn bezoeken vermenigvuldigen.

 

            Toch moeten we ons geen begoochelingen maken over de kwaliteit van de gevoerde onderzoeken. De resultaten van het algemene onderzoek werden met enkele snelle krabbels opgetekend in het gezondheidsboekje. Uit een reactie aan het Ministerie van Volksgezondheid en Gezin in 1949 blijkt tevens dat er geen beroep gedaan werd op speciale artsen, zoals tandheelkundigen. Bovendien was er weinig ruimte om de onderzoeken uit te voeren: zo werd het Medisch Schooltoezicht georganiseerd in dezelfde ruimte als de Volksbibliotheek, zeer tot onvrede van de inspectie. Op 5 oktober 1957, tien jaar na zijn benoeming, gaf Marc Van Tieghem zijn ontslag. Hij werd opgevolgd door Michel Goddaer, eveneens een Ingooigemnaar. Deze werd meteen geconfronteerd met een bevel tot inenting tegen “keelkroep”. Maar liefst 321 schoollopende kinderen ontvingen een spuitje van de kersvers benoemde schooldokter. Dokter Goddaer nam ontslag op 12 december 1961 en werd opgevolgd door dokter Pascal Tytgat[77].

             Op 13 november 1964 kwam er een einde aan de aanstellingen van privé-personen. Het Ministerie van Volksgezondheid besliste om de medische opdracht te verruimen en uit te besteden aan het Psycho-Medisch-Sociaal Centrum (PMS), voor de Ingooigemse scholen de afdeling te Waregem. De naam van de instelling doet reeds vermoeden dat er meer op het spel stond dan alleen maar de medische toestand van het kind, iets wat ons bij de tweede tendens brengt[78]

             In de jaren ’40 nam de aandacht voor de beroepskeuze toe. Reeds in 1943 werd een Dienst voor Beroepskeuze ingericht te Waregem, waar men het licht duidelijk gezien had. Dat licht probeerde men in 1948 op het Ingooigemse gemeentebestuur te laten schijnen, teneinde financiële steun te ontvangen[79]:

 

De vooruitgang van industrie en economie heeft een groot aantal beroepen in ’t leven geroepen. Waar vroeger de zoon bijna automatisch vaders beroep voortzette, heeft hij thans meer mogelijkheden om zich te specialiseren en zich hoger op te werken.

 

De tijden zijn veranderd!

 

Die veelvuldigheid van beroepen heeft het de ouders en de onderwijzer onmogelijk gemaakt ALLEEN leiding te geven in ’t kiezen van een beroep. Daarom werden de Diensten voor Beroepsoriëntering opgericht.

 

Ook te Waregem bestaat een Dienst. Reeds vijf jaar geeft die Dienst richting aan de schoolverlatende jeugd uit de streek. […]

 

            Reeds in 1946 had men enkele Ingooigemse ouderparen kunnen overtuigen van het nut van deze instelling. In het schooljaar 1946-1947 werden vijf kinderen[80] geholpen en in 1947-1948 waren dat er al negen[81]. De PMS-centra namen, zoals reeds vermeld, deze taak over. Hoewel vaak het nut van de psychologische begeleiding in vraag gesteld werd, bleven de PMS-centra kinderen en ouders inlichten over de studie- en beroepsmogelijkheden. Hedentendage is deze taak overgenomen door de CLB’s (Centra voor Leerlingen Begeleiding).

             Ook de plaatselijke onderwijzers poogden mee te werken aan de beroepsoriëntatie van het kind. Er werden sporen van avondonderwijs in de landbouwkunde teruggevonden voor de schooljaren 1954-1955 en 1955-1956. Robert Verschuere, tevens schoolhoofd, trad in de voetsporen van Octaaf Decock door deze lessen te geven. In 1954 werden negentien cursisten[82] geteld, in 1955 waren het er achttien[83]. De lessen van 1955-1956 liepen van 4 november tot 2 februari. Het was een intensief lessenpakket: de leerlingen werden zowel op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag verwacht tussen 18 uur en 20 uur 15. Ook Robert Verschuere hoopte op een “aanmoediging” van de gemeente in de vorm van een verloning voor de “zeer lastige en vermoeiende avondlessen”. Hij diende tevens een aanvraag in om de lessen in een klaslokaal van de gemeenteschool te mogen geven[84].

 

d.) 1955: “Bloemensymphonie”

 Voor de kinderen zelf ging het er allemaal veel lustiger aan toe. Het schoolfeest van 1955 moet een grootse bedoening geweest zijn, aangezien er zelfs aandacht aan geschonken werd in het Schepencollege. De leerlingen van de gemeenteschool zullen de resultaten van de besprekingen graag gehoord hebben, want het volgende werd beslist[85]:

 

In verband met de opvoering van “bloemensymphonie” in het kader van een schoolfeest verzorgd door de leerlingen van de gemeentelijke jongensschool […] acht het schepencollege het wenselijk en nodig op volgende punten te wijzen:

1° Aan die leerkrachten die zich met de voorbereiding van dit schoolfeest bezig houden, dienen alle mogelijke faciliteiten ontleend.

2° Hetzelfde geldt voor die leerlingen die onder hun leiding een rol te vervullen hebben- Voor de periode van 21 maart tot 3 april moeten zij ontslagen zijn van alle huiswerk. De onmiddelijke voorbereiding van het schoolfeest zal in die periode aanvangen met de speeltijd van 3 u. en kan gebeurlijk langer duren dan het voorziene einduur van de schooltijd.

[…]

 

e.) 1963-1974: Bouw- en koopwoede in het gemeentelijk onderwijs

 

            De beschreven periode is de laatste waarin er een grote bouw- en koopactiviteit waar te nemen was in de jongensschool. Het ging echter om veel meer dan de bedragen die hieronder vermeld staan, want de regelmatige herstellingswerken en de omvorming van een bestaand gebouw tot fietsenstalling zijn hier zelfs niet in rekening genomen.

 

Gebouwen

 

            In november 1963 deed de schoolinspectie een dringende oproep om de toestand van de WC’s en het sanitair in de jongensschool gevoelig te verbeteren. De toiletten waren reeds een vijftigtal jaar oud, paalden rechtstreeks aan op de speelplaats en waren duidelijk geen toonbeeld van netheid en gezondheid meer. Al snel werd overgegaan tot de opstelling van ontwerpen. Toen echter ook bleek dat de oude kachels beter vervangen konden worden door centrale verwarming, werden de plannen aangepast. De eerste plannen dateerden uit januari 1964, toen architect Bekaert twee opties voorstelde:

 

1e Ontwerp - nieuw gebouw – installatie v.h. water en sanitaire apparaten – rioleringswerken en mazoutkachel geraamd op 254381 fr.

2e Ontwerp – nieuwe WC en piseynen in de aard van de nu in gebruik zijnde ttz. Openlucht installatie – zonder stromend water – geraamd op 120000 fr.

 

            Omdat een openluchtinstallatie geen echte verbetering zou zijn, werd gekozen voor de eerste optie. Dit was een grote kost, die alleen nog maar zou toenemen in de komende jaren. Op 16 juli 1966 werd immers een bedrag van 85124 frank uitgetrokken om nieuwe verlichting en veilige elektriciteitsvoorzieningen te bekomen. De inspectie had er immers op gewezen dat het gevaar voor brand steeds groter werd met deze verouderde installatie. Bovendien bleek de verlichting niet goed te zijn voor “de gezondheid en het goed zicht van de leerlingen” [86].

 

            Nadat deze elektriciteitswerken van de baan waren, kon men zich toeleggen op het sanitaire probleem. Architect Van Bezien uit Tiegem stelde de defenitieve plannen op in 1969. Het werd een ambitieus plan met douchevoorzieningen. Tussen de sanitaire installatie en de schoolgebouwen in, werd een ruimte voor de centrale verwarming voorzien. Het plan kostte wel meer dan wat architect Bekaert in 1964 had voorzien. De totale kost bedroeg in 1973 immers 494810 frank (12266.02 euro), waarvan het bevoegde Ministerie van Nationale Opvoeding via haar Fonds voor gemeentelijke schoolgebouwen bereid was om 270814 frank (6713.30 euro) te betalen[87].

 


 

Interieur

 

            Niet alleen de schoolgebouwen zelf veranderden van uitzicht, maar ook het interieur. Vooraleerst werd er op aandringen van de inspectie werk gemaakt van een nieuw laagje verf op de klasmuren, aangezien de “gezondheid der jeugd” anders in gevaar kwam. Ook de schoolmeubels uit de jaren ’30 waren dringend aan vernieuwing toe. In 1972 kwamen er 96 nieuwe banken en stoelen, vier klasbureau’s en stoelen en vier borden. Het geheel had een kostprijs van 253986 frank (6296.15 euro)[88].

 

Speelplein

 

            In 1973 ging de gemeente over tot de aanleg van een aantal speeltuinen, o.a. achter de gemeentelijke jongensschool (percelen sectie C 496f en 496z). De gemeente voorzag in 1974 heel wat geld voor de aankoop van speeltuigen: draaimolens, schommels en zitbanken ter waarde van 86320 frank (2139.82 euro). Iedereen kon er komen spelen, maar het werd vooral toch het speelplein van de jongensschool. Op zomerse dagen mochten de leerlingen dan hier i.p.v. op de speelplaats ravotten[89].

 

Televisie

 

            Eén van de meest revolutionaire naoorlogse ontwikkelingen was die van de televisie. België leerde dit toestel kennen in 1953 (zwart-wit). In 1971 kwam de kleurentelevisie in de huiskamers terecht. Dit nieuwe medium bood tal van mogelijkheden, ook voor de opvoeding en het onderwijs. De nationale omroep startte met Schooltelevisie, zodat er in de jaren ’60 heel wat toestellen in de scholen begonnen te verschijnen. Zo ook te Ingooigem, waar de jongens vanaf het schooljaar 1966-1967 van dit wonderlijke toestel kon genieten. Hedentendage is de TV niet meer weg te denken uit onze maatschappij en het onderwijs, want het is uitgegroeid tot één van de belangrijkste informatiekanalen[90].

 

f.) 1968: In het belang van “De Eendracht”: oprichting van de muziekschool

 

            Er werd beslist om vanaf het schooljaar 1968-1969 iets te doen aan de culturele vorming van de jeugd, die zo haar vrijetijd nuttig zou kunnen besteden.  De gemeentelijke muziekschool van Waregem wilde een lokale afdeling openen te Ingooigem. Het gemeentebestuur, dat er tevens een manier in zag om het voortbestaan van de plaatselijke koninklijke fanfare “De Eendracht” te verzekeren, stelde een lokaal ter beschikking in de gemeenteschool. Eén van de belangrijke personen in de oprichting van de lokale afdeling was Ingooigemnaar R. Depraetere, die tevens afgevaardigde van de muziekschool werd. Jongens en meisjes konden vanaf hun achtste jaar aan dit nieuwe avontuur deelnemen[91].

 

            De opening van de lokale afdeling werd met een affiche kenbaar gemaakt[92]:

 

Afdeling INGOOIGEM

Notenleer, koperen blaasinstrumenten.

INSCHRIJVING in de Gemeentelijke Jongensschool.

Op woensdag 4 september 1968, van 14 u. tot 18 u.

Op zaterdag 7 september 1968, van 13 u. tot 18 u.

De lessen vangen aan op woensdag 4 september 1968 te 14 u.

­­___________

 

Het inschrijvingsrecht bedraagt 150 Fr. De leerlingen moeten het trouwboekje van de ouders voorleggen bij de inschrijving.

 

            De gemeente Ingooigem had als kleine gemeente toch heel wat moeite gedaan om deze muziekschool te kunnen openen. Er werd dan ook vollop gepoogd om de investering rendabel te maken. Op 16 oktober 1969 werd de samenwerking aangehaald door de oprichting van een beschermingscomité, waaraan alle plaatselijke leerkrachten hun steun toezegden. De volgende mensen traden als verantwoordelijken op: O. Bekaert (Burgemeester - voorzitter), R. Ducatteeuw (bestuurder gemeenteschool - secretaris), R. Depraetere (afgevaardigde muziekschool), E.Z. H. De Baere (bestuurster Meisjesschool Centrum), Mevrouw Dewinter (bestuurster Meisjesschool Engelhoek), Meester Demeyer (bestuurder Jongensschool Engelhoek).

 

Dat de violen gelijkgestemd waren, bleek geen overbodige luxe te zijn. In augustus 1971 wilde Otegem immers een eigen afdeling van de muziekschool Waregem oprichten. Vanuit de directie van Waregem vertrok meteen een bericht dat dit onmogelijk was. Ten eerste wilde het ministerie geen nieuwe afdelingen meer toelaten en ten tweede was de aansluiting bij Ingooigem nuttiger om subsidies te ontvangen (minimum aantal leerlingen voor bepaalde cursussen). Daar tegenover stond wel dat Ingooigem een toegeving moest doen in de richting van leerlingenvervoer: de gemeente Otegem wilde/kon niet alleen instaan voor die kost. Dit was niet zo vanzelfsprekend, want schoolvervoer was nog niet zo lang ingeburgerd. Zo bleek dat pas in maart 1969 de eerste regeling getroffen werd i.v.m. het schoolvervoer van/naar de centrumscholen[93]. Er werd tevens overleg gepleegd met de schoolhoofden van de Heirweg en de Engelhoek om mee te werken aan het verhelpen van de Otegemse nood. Blijkbaar met resultaat, want op 30 augustus 1971 werd dit bevestigd in het schepencollege[94].

 

 

Lijst van het onderwijzend personeel van de gemeenteschool of -scholen

 

Octaaf Decock: 24-9-1919 tot 1-1-1945 (+ leerkracht 4de graad).

Jozef Quatannens: 1-1-1945 tot 1-9-1959 (+ leerkracht 4de graad).

Robert Verschuere: 1-9-1959 tot 1-9-1964.

Roger Ducatteeuw: 1-9-1964 tot 31-12-1976.

Gaston Delanghe: waarnemend 22-10-1968 tot 6-11-1968 en 12-12-1973; definitief 1-1-1977 tot 1-9-1987.

Leerkrachten

Octaaf Decock: 1-7-1908 tot 1-1-1945.

Jozef Quatannens: 23-9-1919 tot 1-9-1959 (4 klassen).

Leopold Vansteenkiste: 8-10-1920 tot 30-11-1920 (nieuwe klas).

Raoul Surmont: 10-8-1922 tot 30-8-1922 en 5-10-1922 tot 31-12-1922 (t.v.v. ziek titularis).

André Surmont: ? tot 8-10-1923.

Robert Verschuere: 8-10-1923 tot 1-9-1964 (t.v.v. André Surmont).

Maria Dumon: 1-8-1924 tot 20-4-1925 (t.v.v. militieplichtige Robert Verschuere).

Albert Lafosse: 26-8-1937 tot 1-9-1947 (1ste graad en 4de graad).

Diederik Quatannens: 19-7-1942 tot ? (t.v.v. Albert Lafosse).

Roger Ducatteeuw: 1-1-1945 tot 31-12-1976 (t.v.v. nieuw schoolhoofd Jozef Quatannens).

Leon Vanderhaeghen: 14-10-1946 tot 18-10-1946 (t.v.v. Albert Lafosse).

Gaston Delanghe: 1-11-1947 tot 1-9-1987.

Renaat Quatannens: 26-11-1956 tot 28-11-1956 (t.v.v. Robert Verschuere).

Maria Vandendriessche: 14-9-1959 tot 17-9-1959 (t.v.v. Gaston Delanghe).

Joanna Vandenberghe: 25-2-1964 tot ? (1ste graad).

Jeanne Reynaert: 17-1-1967 tot 1-9-1967 en 23-10-1968 tot ? (t.v.v. Roger Ducatteeuw).

Geert Van Der Paelt: 4-9-1967 tot ? (t.v.v. Roger Ducatteeuw).

Magda D’Heygere: 14-12-1973 tot 21-12-1973 (t.v.v. Roger Ducatteeuw).

Ludwine Casaert: 7-1-1974 tot 30-7-1974 (t.v.v. Magda D’Heygere, lees: Roger Ducatteeuw).

Stefaan Defoor: 13-7-1974 tot ? (t.v.v. Roger Ducatteeuw) en vast benoemd vanaf 1-1-1977.

 

Bibliografie

1. Bronnen:

1.1. Gemeentearchief:

 

1.1.1. Notulen Gemeenteraad:

 

Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961.

 

Notulen Gemeenteraad 2-2-1962 t.e.m. 15-11-1968.

 

Notulen Gemeenteraad 24-1-1969 t.e.m. 24-10-1969.

 

Notulen Gemeenteraad vanaf 1-1-1970.

 

1.1.2. Notulen Schepencollege:

 

Notulen Schepencollege 11-11-1940 t.e.m. 5-2-1956.

 

Notulen Schepencollege 18-3-1956 t.e.m. 17-6-1968.

 

Notulen Schepencollege 17-6-1968 t.e.m. 20-10-1968.

 

Notulen Schepencollege vanaf 20-10-1969.

 

1.1.3. Overige boeken en registers:

 

Bureel van Weldadigheid 1863-1921.

 

Burgerstand Akten 1936-1940

 

Hoofdregisters van bevolking 1901-1910 I-II-III.

 

Register van Briefwisseling vanaf 1888.

 

Register van Uitgangsaangevingen: 1869-1919.

 

1.1.4. Doos 547.52: Oorlogsschade aan gemeente eigendommen:

 

Bestatigingsbewijs van ontvreemde goederen der gemeente 30 november 1942.

 

Afschrift van Brandpolis 3 december 1942.

 

Proces-Verbaal 21 december 1942.

 

1.1.5. Doos 551 (1): Lager Onderwijs 1948-1975:

 

Personeelssterkte 1966, nr. 551: 232.2.

 

Wedden 1948-1958, nr. 551.321.

 

Pensioenen onderwijzend personeel 1948-1962 en 1963-1975, nr. 551: 328.61.

 

1.1.6. Doos 551 (2): Lager Onderwijs 1976-1983:

 

Rationalisatie van het lager onderwijs, nr. 551.0.

 

Naamlijst Personeel 1976-1983, nrs. 551.1 en 551.397.2.

 

Fusies scholen 30/9/1977, nr. 551.202.

 

1.1.7. Doos 551: 397.2: Gewezen onderwijzend personeel-persoonlijke dossiers:

 

Gewezen onderwijzend personeel- Lagere school. Dossiers.

 

Waarnemende leerkrachten- gemeentelijke lagere school. Dossiers.

 

 

1.1.8. Doos 551.01 tot en met 551.26: Subsidiëring tot en met Schoolmeubelen:

 

Schoolbevolkingsnormen-gemeentelijk onderwijs-subsidiëring, nr. 551.01.

 

Kosteloosheid der leerlingen 1954-1964, nr. 551.05.

 

Schooltijden, -perioden, verlof 1948-1958, nr. 551.238.

 

Aankopen en uitlening van leermiddelen 1953-1973, nr. 551.25.

 

Aankoop van schoolmeubelen 1931-1972, nr. 551.26.

 

1.1.9. Doos 551.27 tot en met 56: Medisch schooltoezicht tot en met Cultuur:

 

Medisch Schooltoezicht (gemeentepersoneel, tandheelkunde, gezondheidsboekje, maandelijkse verslagen), nr. 551.27.

 

Beroepskeuze-Beroepsoriëntering 1948-1954, nr. 550.53

 

Landbouwonderwijs-Landbouwschool Ingooigem 1954-1955, nr. 556.

 

Gemeentelijke muziekschool 1968-1975, nr. 555.

 

1.1.10. Doos 861.2: Werken aan de schoolgebouwen 1926-1975

 

Map 1927: Briefwisselingen.

 

Map 1937: Verbeteringswerken.

 

Map 1939: Vergrotingswerken.

 

Map 1949-1950: Schilderwerken.

 

Map 1955-1956: Schoolhuis-onderhoud-schilderwerken.

 

Map 1961: Schilderwerken gemeenteschool.

 

Map 1965: Schoollokalen- hernieuwing technische installatie.

 

Map 1972: Schoollokalen- schilderwerken aan gemeentelijke klaslokalen.

 

Map 1975: herstel dakgoten gemeenteschool.

 

1.1.11. Doos 861.2: Lagere gemeenteschool: Centrale Verwarming & sanitaire installatie 1971-1972

 

Ontwerp architect Jacques Bekaert 24 oktober 1963.

 

Ontwerp architect Herman van Besien goedgekeurd op 24 oktober 1969.

 

Waterput scholen 5 november 1971.

 

Toelagen werken en meer 1975.

 

1.1.12. Lade 571.2: Schoolgebouwen

 

INGOOIGEM. Gemeentearchief. Kaart opmeting school en speelplein 29 mei 1973.

 

INGOOIGEM. Gemeentearchief. Map 571.202: Schoolhuis P. Verrieststraat 1961.

 

1.2. Kerkarchief:

 

Het Yvegemnaarke, 7de jaargang nr. 8, jan. 1945. “Een welverdiende hulde”.

 

INGOOIGEM. Kerkarchief. De jonge kerels van Ingooigem KAJ-BJB.

 

INGOOIGEM. Kerkarchief. Notities E.H. Rathé.

 

INGOOIGEM. Kerkarchief. Lijst Antwerpse kinderen geëvacueerd op Ingooigem: 22 december 1944-23 april 1945.

 

INGOOIGEM. Kerkarchief. Lijst priesters van Ingooigem.

 

INGOOIGEM. Kerkarchief. Verslagen H. Vincentius à Paologenootschap.

 

1.3. Rijksarchief:

 

KORTRIJK. Rijksarchief. Notulen Burgemeester en Schepenen 1818-1830, nr. GA Ingooigem 8.

 

KORTRIJK. Rijksarchief. Notulen Gemeenteraad 1820-1836, nr. GA Ingooigem 9.

 

KORTRIJK. Rijksarchief. Notulen Gemeenteraad 1837-1863, nr. GA Ingooigem 10.

 

KORTRIJK. Rijksarchief. Onderwijs: School te Ingooigem 1830, nr. GA Ingooigem 138.

 

KORTRIJK. Rijksarchief. Onderwijs: Herstellingswerken 1884, nr. GA Ingooigem 141.

 

1.4. Overige Archieven:

 

ANZEGEM. Kloosterarchief. Folio 137.

 

BRUGGE. Pronciaal Archief. Ambtsverlatingen mei 1940, nr. A1 D2 PB 1996/45: Tuchtactie gemeentepersoneel.

 

VICHTE. Schoolarchief Gemeentelijke basisschool. Stamregister der leerlingen Ingooigem 1957-1984.

 

VICHTE. Schoolarchief Vrije basisschool. Lijst van het onderwijzend personeel.

 

VICHTE. Schoolarchief Vrije basisschool. Persoonlijke dossiers.

 

VICHTE. Schoolarchief Vrije basisschool. Schoolkrantje Paasnummer 1994.

 

VICHTE. Schoolarchief Vrije basisschool. Verslagen oudervereniging 1991-1999.

 

1.5. Interviews:

 

Inlichtingen van K. Demeulemeester, december-januari 2004-2005.

 

Interview met E. Demmerie, 21 augustus 2002.

 

Interview met E.Z. Clara Terras, 28 september 2002.

2. Werken:

ALGOET, G. en VANDENBROEKE, C. “Alfabetisme in Vlaanderen en inzonderheid in Zuidelijk Vlaanderen (einde 18de eeuw – ca. 1870)”. De Gaverstreke, V (1977) 142-178.

 

DELMOTTE, M. “Om de ziel van het kind. De schoolstrijd in het liberale St.-Eloois-Vijve en de klerikale Gaverstreek (1878-1884)”. De Gaverstreke, XVIII (1990) 343-489.

 

DELMOTTE, M. “Om de ziel van het kind. De schoolstrijd in het liberale St.-Eloois-Vijve en de klerikale Gaverstreek (1878-1884)”. De Gaverstreke, XIX (1991) 333-415.

 

DEMEULEMEESTER, K. “Leonard Blockeel als onderwijzer en schoolhoofd van de gemeenteschool” in: F. Santens, red. Het geheugen van Vichte. Gedenkboek Leonard Blockeel (°24-04-1924 - +06-02-1993). Vichte, 1996, 26-45.

 

DEPAEPE, M. De pedagogisering achterna. Aanzet tot een genealogie van de pedagogische mentaliteit in de voorbije 250 jaar. Leuven, 2004.

 

DE WINTER, D. “Ingooigem tijdens de Tweede Wereldoorlog”. De Gaverstreke, XXXII (2004) 137-347.

 

DUJARDIN, V. Gaston Eyskens tussen koning en regent. België 1949-1950, een sleuteljaar. Antwerpen, 1996.

 

VAN MOLLE, L. Mensen in beweging. Sociale geschiedenis van de Nieuwste Tijd. Deel 2. Cursus, Katholieke Universiteit Leuven, dept. Geschiedenis, 2002-2003.

 

WITDOUCK, R. Bijdragen tot de geschiedenis van het dekanaat Avelgem (1839-1989). Wielsbeke, 1990.


 

[1] BLOCKEEL, Van der Vichte, 44. R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1820-1836, f° 3 (r).

[2] R.A. Kortrijk: Notulen Burgemeester en Schepenen, f° 6 (v), 9 (r), 12 (v). R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1820-1836, f° 7 (r), 25 (r). R.A. Kortrijk: Onderwijs: School te Ingooigem 1830.

[3] Pieter Antone Seurynck was dorpspastoor van Ingooigem vanaf 1819 tot 1846.

[4] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1820-1836, f° 7 (r). R.A. Kortrijk: Onderwijs: School te Ingooigem 1830.

[5] ALGOET en VANDENBROECKE, “Alfabetisme in Vlaanderen en inzonderheid in Zuidelijk Vlaanderen (einde 18de  eeuw – ca. 1870)”, 146-156, 174. DE PAEPE, De pedagogisering achterna, 165. VAN MOLLE, Mensen in beweging. Sociale geschiedenis van de Nieuwste Tijd II, 127-128.

[6] R.A. Kortrijk: Notulen Burgemeester en Schepenen, f° 6 (v), 9 (r), 12 (v), 19 (r). R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1820-1836, f° 7 (v).

[7] O.c. R.A. Kortrijk: Notulen Burgemeester en Schepenen, f° 19 (r).

[8] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1820-1836, f° 71 (r). R.A. Kortrijk: Onderwijs: School te Ingooigem 1830.

[9] O.c. R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1820-1836, f° 54(v), 55 (r-v).

[10] R.A. Kortrijk: Onderwijs: School te Ingooigem 1830.

[11] O.c. R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 12 (v).

[12] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 44 (r), 47 (v).

[13] DE PAEPE, De pedagogisering achterna, 165. R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 50 (r). VAN MOLLE, Mensen in beweging. Sociale geschiedenis van de Nieuwste Tijd II, 127-128.

[14] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 55 (v).

[15] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f°60 (r) – 63 (v).

[16] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 63 (v), 64 (r), 67 (r), 73 (r), 75 (v).

[17] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 83 (v), 84 (r), 87 (v), 88 (r).

[18] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 92 (v), 110 (r), 115 (r), 122 (v), 126 (r-v), 129 (r), 131 (v), 144 (r).

[19] Pieter Valcke was dorpspastoor te Ingooigem vanaf 1846 tot 1866.

[20] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 120 (v). VAN MOLLE, Mensen in beweging, 128. WITDOUCK, Bijdragen tot de geschiedenis van het dekanaat Avelgem (1839-1989), 218, 254.

[21] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 121 (r-v).

[22] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 120(v), 121 (r).

[23] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 134 (v), 135 (r), 138 (v).

[24] R.A. Kortrijk: Notulen Gemeenteraad 1837-1863, f° 120 (v), 144 (r).

[25] G.A. Ingooigem: Bureel van Weldadigheid 1863-1921, nr. 9.

[26] G.A. Ingooigem: Register van briefwisseling vanaf 1888, p. 42.

[27] DELMOTTE, “Om de ziel van het kind. De schoolstrijd in het liberale St.-Eloois-Vijve en de klerikale Gaverstreek (1878-1884)”, 390-395. DEPAEPE, De pedagogisering achterna, 165.

[28] Het kerkarchief bevatte volgens een inventaris van oktober 1912 een aantal brieven en stukken aangaande de schoolstrijd; het katholieke schoolcomité en het onderwijsakkoord met het Anzegemse klooster. Deze stukken blijken na een grondige zoektocht verdwenen uit het kerkarchief. Vreemd genoeg zijn andere stukken van deze inventaris wel nog bewaard.

[29] DEPAEPE, De pedagogisering achterna, 167.

[30] Hubert Coene was Ingooigems dorpspastoor vanaf 1868 tot en met 1895.

[31] Ivo Callens was onderpastoor vanaf 1879 tot en met 1886. Hij werd opgevolgd door Camille Callens, onderpastoor vanaf 1886 tot en met 1897.

[32] K.A. Ingooigem, Verslagen H. Vincentius à Paolo. De heren De Cock en Nolet waren lid van het H. Vincentius à Paologenootschap van Ingooigem, een lekenorganisatie die instond voor bezoeken aan en ondersteuning van de armen.

[33] BLOCKEEL, Van der Vichte, 53-55. DELMOTTE, “Om de ziel van het kind. De schoolstrijd in het liberale St.-Eloois-Vijve en de klerikale Gaverstreek (1878-1884)”, 423, 432, 466.

[34] DELMOTTE, “Om de ziel van het kind. De schoolstrijd in het liberale St.-Eloois-Vijve en de klerikale Gaverstreek  II (1878-1884)”, 373-385.

[35] K.A. Ingooigem: Verslagen H. Vincentius à Paolo. De heren Valcke en Delobelle waren gewezen leden van het H. Vincentius à Paologenootschap.

[36] DELMOTTE, “Om de ziel van het kind. De schoolstrijd in het liberale St.-Eloois-Vijve en de klerikale Gaverstreek  II (1878-1884)”, 385. KL.A. Anzegem: folio 137.

[37] G.A. Ingooigem: Register der Uitgangsaangevingen 1869-1919. In het Register van Uitgangsaangevingen staat de familie Constant Mauroo (10 personen) genoteerd op 6 oktober 1884. De familie trok naar Waregem.

[38] DELMOTTE, “Om de ziel van het kind. De schoolstrijd in het liberale St.-Eloois-Vijve en de klerikale Gaverstreek (1878-1884)”, 459, 482. DELMOTTE, “Om de ziel van het kind. De schoolstrijd in het liberale St.-Eloois-Vijve en de klerikale Gaverstreek II (1878-1884)”, 357, 403-408.

[39] DEPAEPE, De pedagogisering achterna, 167-169.

[40] DELMOTTE, “Om de ziel van het kind. De schoolstrijd in het liberale St.-Eloois-Vijve en de klerikale Gaverstreek II (1878-1884)”, 357, 409-412.

[41] G.A. Ingooigem: Register van briefwisseling vanaf 1888, p. 42 (n° 2153 ).

[42] Vertaling: Heer commissaris. Als antwoord op uw schrijven van de 25ste van de maand, nr. 3160, hebben we de eer u mee te delen dat er zich tot op heden geen ernstige huurder heeft aangeboden voor de gebouwen op de locatie van de afgeschafte gemeentelijke school. Nu worden ze voorlopig gebruikt door de veldwachter van onze gemeente. Wij geloven dat we met een korte vertraging een huurovereenkomst kunnen voorleggen.

[43] G.A. Ingooigem: Bureel van Weldadigheid 1863-1921, nrs. 46, 51, 54, 56, 60, 63, 65, 67, 69, 71, 73, 75, 77. G.A. Ingooigem: Register van briefwisseling vanaf 1888, nr. 2575.

[44] G.A. Ingooigem: Hoofdregister van bevolking 1901-1910, blad 300. G.A. Ingooigem: Register van briefwisseling vanaf 1888, p. 42 en nrs. 2525bis, 2644. R.A. Kortrijk: Onderwijs: Herstellingswerken 1884.

[45] DEPAEPE, De pedagogisering achterna, 176.

[46] G.A. Ingooigem: Gewezen onderwijzend personeel- Lagere school. Dossiers.

[47] G.A. Ingooigem: Gewezen onderwijzend personeel- Lagere school. Dossiers.

[48] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 4.

[49] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 13. G.A. Ingooigem: Map 1927: Briefwisselingen. G.A. Ingooigem: Map 1937: Verbeteringswerken. G.A. Ingooigem: Map 1939: Vergrotingswerken.

[50] G.A. Ingooigem: Gewezen onderwijzend personeel- Lagere school. Dossiers. G.A. Ingooigem: Waarnemende leerkrachten- gemeentelijke lagere school. Dossiers.

[51] S.A. Vrije basisschool Vichte: Lijst van het onderwijzend personeel. S.A. Vrije basisschool Vichte: Persoonlijke dossiers.

[52] G.A. Ingooigem: Onderwijs naamlijsten 1976, opgave van gewezen en huidig personeel + aantal klassen. G.A. Ingooigem: Waarnemende leerkrachten- gemeentelijke lagere school. S.A. Gemeenteschool Vichte: Stamregister der leerlingen Ingooigem 1957-1984.

[53] De gegevens zijn onvolledig vanaf dit schooljaar. Dit is het jaar waarin schoolhoofd en leerkracht van de 4de graad Quatannens vervangen werd door Verschuere.

[54] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 290-291. G.A. Ingooigem: Notulen Schepencollege 18-3-1956 t.e.m. 17-6-1968, p. 31.

[55] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 273. K.A. Ingooigem: De jonge kerels van Ingooigem, p. 1-26.

[56] Voor dit deel, zie: DE WINTER, “Ingooigem tijdens de Tweede Wereldoorlog”.

[57] P.A. Brugge: Ambtsverlatingen mei 1940: Tuchtactie gemeentepersoneel, nr. A1 D2 PB 1996/45.

[58] G.A. Ingooigem: Bestatigingsbewijs van ontvreemde goederen der gemeente 30 november 1942, nr. 57: 547.52.

 

[59] G.A. Ingooigem: Burgerstand Akten 1936-1940, blad 30/nr. 17. Ernest Pothen was soldaat in het 25ste linieregiment. Hij stierf op 24 mei 1940. E.H. Rathé, één van de weinigen die in Ingooigem bleef, fungeerde als getuige bij diens overlijden.

[60] O.c. G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 90.

[61] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 24-27. Interview met E. Demmerie, 21 augustus 2002. Interview met E.Z. Clara Terras, 28 september 2002.

[62] S.A. Vrije basisschool Vichte: Lijst van het onderwijzend personeel. S.A. Vrije basisschool Vichte: Persoonlijke dossiers.

[63] G.A. Ingooigem: Gewezen onderwijzend personeel- Lagere school. Dossiers. G.A. Ingooigem: Notulen Schepencollege 11-11-1940 t.e.m. 5-2-1956, p. 32. G.A. Ingooigem: Waarnemende leerkrachten- gemeentelijke lagere school. Dossiers.

[64] K.A. Ingooigem: Lijst Antwerpse kinderen geëvacueerd op Ingooigem: 22 december 1944-23 april 1945.

[65] K.A. Ingooigem: Lijst priesters van Ingooigem, p. 30. Het gaat wellicht om opvolger E.H. Jozef Deman.

[66] “Een welverdiende hulde”, Het Yvegemnaarke, 3.

[67] G.A. Ingooigem: Gewezen onderwijzend personeel- persoonlijke dossiers, Decock Jules-Octaaf.

[68] G.A. Ingooigem: Gewezen onderwijzend personeel- persoonlijke dossiers, Lafosse Albert. G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 128-130, 363. G.A. Ingooigem: Notulen Schepencollege 11-11-1940 t.e.m. 5-2-1956, p. 72.

[69] S.A. Vrije basisschool Vichte: Lijst van het onderwijzend personeel. S.A. Vrije basisschool Vichte: Persoonlijke dossiers.

[70] DEPAEPE, De pedagogisering achterna, 249. G.A. Ingooigem: Notulen Schepencollege 11-11-1940 t.e.m. 5-5-1956, p. 161.

[71] DEPAEPE, De pedagogisering achterna, 249-250. G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 280-281.

[72] G.A. Ingooigem: Notulen Schepencollege 11-11-1940 t.e.m. 5-2-1956, p. 66.

[73] G.A. Ingooigem: Aankoop van schoolmeubelen 1931-1972, nr. 551.26.

[74] DEPAEPE, De pedagogisering achterna, 257.

[75] DE WINTER, “Ingooigem tijdens de Tweede Wereldoorlog”. G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 75.

[76] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 108.

[77] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 6-12-1938 t.e.m. 15-12-1961, p. 326, 400. G.A. Ingooigem: Notulen Schepencollege 11-11-1940 t.e.m. 5-2-1956, p. 166.

[78] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 2-2-1962 t.e.m. 15-11-1968, f° 00028 (v)- f° 00029 (r).

[79] G.A. Ingooigem: Beroepskeuze-Beroepsoriëntering 1948-1954, nr. 550.53

[80] Jaak Cassiers, Frans Dedecker, André Merlier, Frans Van Wonterghem en Roger Vervaecke.

[81] Jules Ameye, August Decant, Gustaaf De Groote, Odiel Deruyter, Leopold Desloovere, André Dewaele, Lucien Dewaele, Gabriel Verleyen en Romain Vervaecke.

[82] Herman Allegaert, Dion Caby, Georges Deconinck, Noé Demeurie, Roger Demeurie, Robert Deschuyter, Paul Deseyn, Gery Eggermont, André Naessens, Maurice Naessens, Frans Nijs, Hervé Provijn, Frans Staelens, Jozef Staelens, Camiel Vandendriessche, Raphaël Van Wontergem, Nero Verbauwhede, Frans Vercruysse en Paul Vererfven.

[83] Bernard Bossuyt, Dion Caby, Roger Demeurie, Robert Deschuyter, Gery Eggermont, Maurice Naessens, Etien Ottevaere, Lucien Ottevaere, Gabriel Provijn, Hervé Provijn, Jozef Staelens, Marc Staelens, Marcel Staelens, Camiel Vandendriessche, Paul Vanoverbeke, Raphaël Van Wontergem, Nero Verbauwhede en Frans Vercruysse.

[84] G.A. Ingooigem: Landbouwonderwijs-Landbouwschool Ingooigem 1954-1955, nr. 556.

[85] G.A. Ingooigem: Notulen Schepencollege 11-11-1940 t.e.m. 5-2-1956, p. 191-192.

[86] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 02-02-1962 t.e.m. 15-11-1968, f° 00018 (r), f° 00019 (r), f° 00038 (r). G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 24-01-1969 t.e.m. 24-10-1969, f° 08 (v). G.A. Ingooigem: Map 1965: Schoollokalen- hernieuwing technische installatie.

[87] Het plan van architect Jacques Bekaert uit Lauwe werd afgewezen. De grootste verschillen lagen niet zozeer in het uitzicht van het gebouw, maar in de infrastructuur. Herman van Besien had immers douches met wachtplaats voorzien, en had toch ruim voldoende plaats om 6 open en 4 gesloten toiletten te integreren. Jacques Bekaert had geen douches in zijn plan geïntegreerd, maar wel een privé-toilet voor de leerkrachten naast de 6 open en 4 gesloten toiletten.

[88] G.A. Ingooigem: Aankoop van schoolmeubelen 1931-1972, nr. 551.26. G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad vanaf 01-01-1970, f° 27 (r), f° 30 (v) - f° 31 (r).

[89] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad vanaf 01-01-1970, f° 49 (r), f° 71 (r).

[90] G.A. Ingooigem: Notulen Schepencollege 18-3-1956 t.e.m. 17-6-1968, f° 81 (v).

[91] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 02-02-1962 t.e.m. 15-11-1968, f° 00072 (v) en f° 00095 (r).

[92] G.A. Ingooigem: Gemeentelijke muziekschool 1968-1975, nr. 555.

[93] G.A. Ingooigem: Notulen Gemeenteraad 24-01-1969 t.e.m. 24-10-1969, f° 04 (r). Toen maakten 10 leerlingen van het gemeente- en 32 leerlingen van het vrij onderwijs gebruik van deze dienst.

[94] G.A. Ingooigem: Gemeentelijke muziekschool 1968-1975, nr. 555. G.A. Ingooigem: Notulen Schepencollege vanaf 20-10-1969, f° 15 (r).